Geschreven door Laura Long, die als sinds 2005 regelmatig vrijwilligerswerk doet in Honduras
Ik had al verhalen gehoord over de man, over hoe hij elke avond aan het drinken ging, schreeuwde naar David en hem zei dat hij een nietsnut was. Hij sloeg David en z’n zussen ook. Maar daar stond hij dan. Hij smeekte z’n zoon om weer bij hem te komen wonen en bood hem een warm thuis met een modelgezin aan. David kon het aanbod niet weerstaan en ging met zijn vader mee. “Ik maak de middelbare school wel af”, had hij gezegd. Hij verzekerde ons ervan dat z’n vader de beste bedoelingen had en hem naar school zou laten gaan. Nog geen twee maanden later liet de man David in de steek voor een vrouw die hij net had leren kennen.
David was dakloos, maar kreeg een paar maanden hulp van een tante terwijl hij werk zocht, wat niet makkelijk was. Uit trots en ook schaamte over z’n overhaaste beslissing om de stichting te verlaten, had hij nooit gevraagd om terug te mogen komen. Hij vond uiteindelijk werk en belde af en toe om schoenen of andere levensnoodzakelijke dingen te vragen. Hij begon het gesprek altijd met “Ik schaam me dat ik het jullie moet vragen”. Ironisch genoeg werkt hij voor een fabriek die schoenen voor een bekende multinational maakt, voor vijf euro per dag. Hij huurt nu een kamer voor twintig euro per maand en is heel trots dat hij eindelijk op eigen benen staat.
Het plan was om samen een dagje naar het meer te trekken en er een andere jongeman te treffen die recent uit Proniño weggegaan was toen hij 18 werd. Voor we vertrokken naar het meer, wilde hij dat ik z’n kleine huisje eens zag. Ik had hem die ochtend al gesproken aan de telefoon. “Is het een gevaarlijke buurt?”, had ik hem gevraagd. Ik wist dat er buurten in Honduras zijn waar een blank, blond meisje niet hoort te komen. “Nee, hoor”, verzekerde hij mij op overtuigende toon.
Volgende keer schrijft Laura over hoe haar avontuur in het huis van David afloopt!
David kwam naar de bushalte op de grote fiets van een vriend. Ik klom er voorop in een ongemakkelijke houding en we vertrokken naar zijn huis. We reden door verschillende arme wijken van de stad, maar niets wat erger was dan wat ik al gezien had op de berg van El Progreso, waar de stichting Proniño ligt. “Zijn we er bijna?”, vroeg ik na een tijdje, want het voelde alsof ik niet langer in die positie kon blijven zitten. “Bijna”, zei hij, terwijl we een hoek omreden. M’n hart zakte in m’n schoenen. Lange rijen huizen van karton en roestige tinnen platen. De weg was gekrompen tot een paar centimeter modder door de regenval van de laatste dagen. We worstelden ons erdoor, zo goed als mogelijk op een fiets door de klei. Er waren een heleboel ogen op ons gericht terwijl we voorbijreden. Ik schaamde me voor m’n auto in de Verenigde Staten, voor m’n warme bedje en m’n mooie huis. En hier zaten jonge kinderen vuil in de drek te spelen voor hun krotwoning. Ze keken me aan alsof ik van een andere planeet kwam. Dat had evengoed zo kunnen zijn.
Eindelijk kwamen we tot stilstand in de modder. Tussen twee tinnen huisjes was een klein, donker steegje. Ik moest me bukken om erin te kunnen. We wandelden het duister in. We kwamen voorbij een hele rij deuren, als je het al deuren kunt noemen. Het waren aan elkaar gespijkerde stukken weggegooide triplex en golfplaten met een grote spijker als klink. Uiteindelijk hielden we halt aan een deur van twee stukken triplex. Er hing een ketting met een klein hangslotje door een gat in het hout. Hij stapte binnen en schroefde een gloeilamp in aan het plafond om de duistere kamer te verlichten. De enige zitplaats was een tweepersoonsbed waar de veren uit staken. Ik glimlachte en onderdrukte de neiging te gaan huilen. Hij had een kartonnen doos met potten en pannen en een klein elektrisch vuurtje om eten te maken in de hoek staan. In een andere hoek stond een dressoir met een spiegel op. Ik schrok het meeste van de muren. Ze waren allemaal van karton gemaakt; platte dozen die vastgespijkerd waren aan de houten 2×4-structuur. Ik kon m’n blik er niet van afwenden terwijl we aan het praten waren. Hij opende een lade en nam er trots een plastic zakje met brieven uit van mezelf en andere vrijwilligers voor me. Ik zei hem dat het prachtig was, terwijl ik aan de kartonnen muren bleef denken. Hij kon zonder problemen overvallen worden. Ze hadden maar een van de muren om te duwen en de paar waardevolle bezittingen te nemen die hij had. Dit was nu zijn thuis. Ik dacht aan hoe hij zou kunnen sparen en hier weggaan, maar door z’n loon zou hij altijd in de slechtste buurten zitten. Er wonen zo veel mensen in deze constructies, in zo’n armoede, tot het einde van hun leven. Hij toonde me met plezier de rest van z’n bezittingen, sloot z’n deur en trok met me naar het meer voor de rest van de dag.
Ik heb hem nooit gezegd hoe triest ik z’n huis vond of hoe graag ik hem daar weg zou krijgen. Ik wist dat zulke opmerkingen hem zouden ontmoedigen. Hij had het al ver geschopt en was trots dat hij zelfstandig was, trots op z’n kleine huurkamertje. We hadden het wel over weer naar school gaan en z’n studie afmaken, en ik hoop dat hij zich daaraan houdt en uit die kleine kamer wegraakt. Het verbaast me telkens weer hoe vrolijk hij eronder blijft, zo dankbaar voor alles wat hij heeft en elke dag krijgt. We hebben allemaal iets te bieden aan deze kinderen die zo weinig hebben, maar ik denk dat we ook heel wat van hen kunnen leren.
Wilt u meer lezen? Neem een kijkje op www.homelesschild.org. Wilt u zelf vrijwilligerswerk doen in Honduras of in Nederland? Schrijf ons op b.wiersma@homelesschild.org of bel met Ineke Wiersma: 043 4092194. Of wilt u een donatie doen? Dat kan online of op rekeningnummer 212487167 tnv Homeless Child te Schoonrewoerd.