Cartagena, Colombia, ‘s ochtends vroeg. Zijn vlezige wang drukt diep in de hoofdsteun van de voorstoel maar het schijnt hem niet te deren zo lang hij een welwillende luisteraar heeft. Ikzelf deel de achterbank met een doorrookte Duitser die iets te vroeg met pensioen lijkt te zijn gegaan en een Colombiaanse tandarts die in haar vrije uurtjes duikinstructrice is. In de tien minuten sinds Marco en ik elkaar de hand hebben geschud heeft hij me al haarfijn uitgelegd dat hij eigenaar is van Colombia’s grootste transportbedrijf, dat de Duitser zijn schoonbroer is en dat hij vandaag zijn vijfhonderd zesenveertigste diepzeeduik gaat maken.
“en jij Bastian, hoe vaak heb jij al gedoken?”
Marco heeft de eerste 18 jaar van zijn leven in Keulen doorgebracht, ook dat had hij tussen neus en lippen door al even laten vallen, en schakelt doodleuk om de andere zin over van Duits naar Spaans of andersom. Mijn verklaring dat Bas in het Spaans Sebastian wordt, heeft hij kennelijk met zijn Duitse oor aangehoord. Ik word Bastian gedoopt.
“Uuhhm, nou Marco, een keer of acht”.
Als hij zich wegdraait om de nieuwswaarde van dit feit tot zich door te laten dringen, lijkt het een moment alsof zijn wang besloten heeft om te blijven vastplakken aan de hoofdsteun, maar na enig weifelen besluit de kwab om toch maar bij haar eigenaar te blijven en weekt zich zonder overtuiging los. De plastic rand van de zitting tekent zich als een prachtig doorbloedde lijn af onder Marco’s jukbeen en doet vaag denken aan een vluchtig gestolen zoen van een goedkope minnares met foute lipstick. Het is bijna aandoenlijk.
San Pedro Sula, Honduras, rond hetzelfde tijdstip. Naarmate de motoren van de glimmend nieuwe Airbus 320 van Taca Airlines harder beginnen te loeien, zakt Lucas dieper weg in de zitting van zijn stoel, alsof hij de angst kan verminderen door zichzelf kleiner te maken. Lucas heeft nooit gevlogen. Hij is nog nooit zijn land uitgeweest, moest speciaal voor deze reis een paspoort laten vervaardigen en heeft geen geld op zak. Geen cent.
Hij is een vreedzame, bijna statige man, die ondanks zijn wat groezelige, tweedehands kleren en zijn eendachtige tred een waardigheid uitstraalt die hem voorgaat op zijn pad en die hem altijd vergezelt, waardoor mensen zich onwillekeurig tot hem aangetrokken voelen en graag in zijn rustgevende nabijheid verkeren.
Cartagena, Colombia, een uurtje later. Marco wijkt geen duimbreed van mijn zijde. Onder het monotone kabaal van de speedboot die ons naar het koraalrif racet, blijft hij onverstoorbaar tegen me aan praten, in zijn brabbelbrij van Duits en Spaans. De meeste klanken worden voor eeuwig meegedragen op de Caribische winden nog voor ze mijn oren bereikt hebben. Overbodige inspanning.
Wel heb ik tot mijn schrik duidelijk verstaan dat ik van harte welkom ben in zijn pied-à-terre in Bogotá, de hoofdstad van het land, wanneer ik maar wil. De tegenwerping dat ik rond de tijd dat ik daar beland vergezeld zal zijn van drie reisgenoten, wordt terzijde gewuifd als een triviaal detail. In Marco’s huis zijn wel tien kamers!
Nu zijn niet aflatende gepoch me begint te irriteren, maak ik slinks aanstalten om onder het mom van opspattend zeewater te verkassen, terwijl ik ostentatief de onderkant van mijn doorweekte, naar zilt geurende t shirt welgemikt boven Marco’s kurkdroge leren schoen uitwring, om de noodzaak van verhuizing kracht bij te zetten. Vastbesloten grijpt hij mijn schouder beet. Niet uit boosheid. Van zijn gezicht valt een verdovende angst af te lezen, alsof hij plots beseft dat hij te ver is gegaan en zijn welwillende luisteraar dreigt te verliezen; een verlies dat hij zich schijnbaar niet kan veroorloven.
“Mijn kind is dood”. Hij braakt de woorden haast uit. “22 Maanden geleden is mijn zoon gestorven. Mijn vrouw en andere kinderen wonen in Miami, dus in Bogotá zijn alle slaapkamers vrij, snap je? Voor jou, voor je vrienden.”
Dus dat is het. Marco kwijnt weg in zijn verdriet en probeert de immense leegte op te vullen door paaiende woorden en dwingende, te vlug vergeven uitnodigingen in het rond te strooien. Die zullen de leegte nooit vullen. Wegrennen is vergeefse moeite want de pijn heeft zich als een gezwel in zijn lijf verankerd en rent net zo hard met hem mee. Ieder uitweggetje dat hij wanhopig inslaat loopt dood en telkens als hij tegen een muur aanklettert schrikt hij weer wakker, versuft van angst. Vandaag ben ik de muur.
“Dat is verschrikkelijk Marco, het spijt me om te horen van je zoon”. In slow motion laten mijn handen het uitgewrongen, vochtige t shirt gaan en schuldbewust beweegt mijn blik zich van de fijn gevouwen plooitjes in het textiel naar de wit omlijnde, uitgebeten zoutvlek op zijn dure, leren schoen.
Dan kijk ik Marco recht in de ogen en zie voor het eerst die dag een voorzichtige, verontschuldigende glimlach om zijn lippen krullen. Even twijfel ik. Vergeeft hij me nu mijn onbeleefde actie met de zoutvlek, of is dit zijn manier om excuses aan te bieden voor zijn indringende gedrag? Ik zal het nooit weten, maar de muur is doorbroken.
Ter nagedachtenis aan hun zoon hebben Marco en zijn echtgenote zendtijd op de Colombiaanse televisie gekocht. Wie een middelbare school heeft afgerond maar de universiteit niet kan betalen, krijgt na een selectieprocedure in hun programma een kans op een beurs. Al tientallen jongeren hebben zo hun weg naar het hoger onderwijs gevonden. Het lijkt me een veel betere methode om zijn verdriet te verwerken dan in het wilde weg vreemdelingen in zijn lege huis uit te nodigen.
San Salvador, El Salvador, rond hetzelfde tijdstip. Al na de eerste tussenlanding heeft Lucas zich het vliegen eigen gemaakt en stapt hij aan boord als een doorgewinterde reiziger, zonder daarbij zijn bescheidenheid in te ruilen voor de nonchalante flair waarmee menigeen de slurf inloopt die graag laat merken dat een vliegreis voor hem geen geheimen meer kent.
Lucas is onderweg naar Colombia, waar hij een project voor straatkinderen gaat bezoeken dat tientallen jaren ervaring heeft. Als directeur van het opvangcentrum in Honduras is hij bij uitstek geschikt om er kennis op te gaan doen die hij later kan delen met zijn collega’s. Zijn reis wordt betaald door behulpzame Amerikanen.
Cartagena, Colombia, middag. Tijdens de tweede duik ben ik op een piepklein visje gestuit, dat, in tegenstelling tot de meeste visjes in enge diepe zeeën waar het wemelt van de haaien en andere roofdieren, dood eenzaam in de rondte zwom. Ik geloof dat hij blij was om me te ontmoeten, want hij kwispelde vrolijk met zijn staartje en maakte allemaal luchtige bubbeltjes van blijdschap, vlak voor mijn gezicht.
Ik doopte hem “Pescadito”, Spaans voor minivisje, en terwijl we samen opzwommen tegen de golfstroom, in Marco’s kielzog, viel me op dat Pescadito en ik die dag in dezelfde tinten waren gehuld. Zijn gezichtje was van hetzelfde zeegroen als mijn duikmasker, zijn vissenlichaampje had de rode strepen van mijn wetsuit, de vin die parmantig op zijn rug tooide was van het hemelsblauw waarin ook de zuurstoffles op mijn schouders geschilderd was, en Pescadito’s kwispelende, kanariegele staartje, deinde mee op het ritme van mijn minstens even gele zwemvinnen. Als klap op de vuurpijl maakte ik net zulke luchtbubbels als hij.
Dit kon geen toeval zijn, dacht Pescadito natuurlijk, en prompt bombardeerde hij mij tot zijn moeder. In deze nieuwe, door de natuur opgelegde rol als hoedster van het kroost, dwaalden mijn gedachten onwillekeurig af naar Marco en dankzij de kleine Pescadito kan ik mij nu beter verplaatsen in zijn eenzaamheid. In wezen is ook de uitbundige Marco een verlaten visje in zijn grote, doorzichtige aquarium.
Compassie, curiositeit en een dosis gierigheid omdat ik drie hotelnachten kan uitsparen krijgen de overhand en als Marco bij het afscheid nemen nog één keer vraagt of we willen komen logeren, neem ik het aanbod gretig aan. Als een kind zo blij krabbelt hij zijn drie mobiele nummers – zakelijk, privé en een Amerikaanse voor buitenlandse partners – linea recta in mijn agenda om zich er van te vergewissen dat ik ze niet kan wegfrommelen, terwijl ik me in mijn achterhoofd afvraag hoe hij in hemelsnaam drie mobiele telefoons met zich meedraagt.
Colombiaans luchtruim, zonsondergang. Terwijl het ronkende propellervliegtuigje dat me met Lucas zal verenigen de stadslichten van Cartagena steeds dieper onder zich laat, probeer ik me voor te stellen wat ze van elkaar zullen denken. Lucas en Marco. Over enkele dagen ontmoeten zij elkaar. De nederige, arme sloeber en de pochende multimiljonair, de man die nog nooit gevlogen heeft en de man die al meer dan vijfhonderd maal heeft diepzee gedoken. De man die gelukkig is…en de man met het verdriet.
Ondertussen scheert het vliegtuigje over de uitlopers van de Andes en ik kijk toe hoe de Zon en de imposante bergketens met elkaar in een kleurendans verwikkeld zijn tot zelfs de hoogste toppen geen straal meer vangen kunnen. In wezen hebben Lucas en Marco hetzelfde doel. Beiden proberen de wereld een mooiere plek te maken, beiden proberen jonge mensen een kans te geven op een waardige toekomst. Maar er is één frappant verschil. Marco’s drijfveer is verdriet, Lucas strijdt uit overtuiging. Zal hun ontmoeting wel goed verlopen?
Over twee dagen het slot
Geef een kind een kans, schenk de wereld balans.





