Alle posts voor juli 2006

Succes

23 juli 2006, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20060301In het eerste deel van dit verhaal werd een tipje van de sluier gelicht uit de levens van Lucas en Marco. Lucas is arm, heeft nooit gereisd, maar is een gelukkig mens. Marco is miljonair en heeft de halve wereld gezien, maar is een droeve man. Allebei doen hun best om jongeren een beter bestaan te bieden. Marco uit verdriet, Lucas uit overtuiging.

Onder een licht wuivende palmboom sta ik buiten het vliegveld van Cali in een welkom avondbriesje op Lucas te wachten. De zacht ruisende bladeren en de aangename temperatuur van de wind die bijna verontschuldigend opsteekt, als een te laat op zijn afspraak verschenen verlosser van de meedogenloze zon, maken de nacht zwanger van verwachting zoals dat alleen kan in tropische steden. Zou hij me vinden?

Lucas is vergezeld van Nicky, directrice van één van de opvangcentra, en Tielke, de secretaris van Homeless Child. Gevieren zullen we een week lang ervaring opdoen bij Colombia’s meest gerenommeerde project voor straatkinderen en ons weervinden ademt dezelfde verwachtingsvolle sfeer uit als de zwoele avondbries.

Lucas en ik delen een kamer, een gebeurtenis waar ik me al weken lang afwisselend druk over heb gemaakt en op heb verheugd. Veel Hondurezen gaan letterlijk met de kippen op stok en soms doemen angstbeelden voor me op van een dikkig, gedrongen mannetje dat om zes uur ’s ochtends luidruchtig zijn gymnastiekoefeningen staat te doen. Wie weet snurkt hij ook. Misschien heeft hij gekke gewoontetjes. Tenslotte komt hij uit een land dat anderhalf werelddeel van het mijne verwijderd ligt en voor hetzelfde geld spreidt hij de raarste trekjes ten toon die mij doen gruwelen zonder dat hij er überhaupt erg in heeft. Teennagels met een scheermes kortwieken, een spuug- en snothoekje in de kamer aanleggen, vieze slips in de wasbak schoonboenen met het laatste schaamhaarvrije hotelzeepje om ze vervolgens nadruipend over de rails van het gedeelde douchegordijn te draperen…walgelijk.

Zoals de meeste vooroordelen blijken ook de mijne ongegrond. Zelfs in de intimiteit van een hotelkamer behoudt Lucas zijn kalme karakter en voelt hij feilloos aan of ik behoefte heb aan een praatje of juist een moment van gedeelde stilte. We worden rap vrienden.

Telkens als Nicky, Tielke en ik gretig achter het toetsenbord springen zodra de internetverbinding in de lounge vrij is, leest Lucas op zijn gemak een krantje. Steeds wanneer ik mij uitgehongerd en blindelings op een maaltijd stort, sluit Lucas zijn ogen om eerst een bedankje te prevelen en daarna elke hap bewust en met smaak tot zich te nemen. Al gauw krijg ik in de gaten dat zijn berustende benadering van het leven tot meer momenten van geluk leidt dan mijn gehaaste, onbedachtzame geren, en gedreven probeer ik mijn ritme rijmend te maken met het zijne.

Na vier dagen intense leerschool bij de regionale afdeling van het project voor straatkinderen, is de tijd gekomen om door te reizen naar het moederproject in Bogotá, waar Marco, een vermogend man die mij de week daarvoor tijdens een duikexcursie uitgenodigd had, al ongedurig op ons zit te wachten. Lucas, Nicky en Tielke zien al even reikhalzend uit naar ons verblijf in het optrekje van Colombia’s rijkste transportbedrijfeigenaar als ikzelf.

Marco maakt zijn entrée op de luchthaven zoals hem dat betaamt. Luidruchtig, opzichtig, haast grotesk. Tot mijn diepe schaamte wordt voor ons het verkeer opgehouden omdat Marco’s chauffeur de terreinwagen in diens opdracht pontificaal voor de uitgang van het vliegveld parkeert, terwijl de baas zelf druk gebarend een taxi aanhoudt voor de bagage, opdat zijn gasten extra beenruimte genieten. Ik moet bij de bagage.

20060302Wanneer we de glazen lift betreden, met directe toegang tot de hal van Marco’s loft, bespeur ik voor het eerst een spoor van opwinding in Lucas’ ogen. De man die onder alle omstandigheden zo bedeesd blijft, kan nu zijn gezicht niet in de plooi houden van bewondering en tot mijn opluchting geeft hij eindelijk even toe aan de menselijkheid in hem. Het uitzicht is dan ook adembenemend. Terwijl de lift geruisloos naar boven gezogen wordt door onvoelbare krachten, kijken we door het glas uit over een megapool met vijf miljoen inwoners, ontsproten in een weidse vallei en omtorend door imposante bergtoppen, waarvan de hoogste besneeuwd zijn. Tegen die tijd heeft Marco al blakend van trots uit de doeken gedaan dat hij het streng bewaakte gebouw deelt met zulke puissante figuren als de ambassadeur van Amerika, van Bolivia en van Duitsland, alsmede een handvol machtige industriëlen van een keur aan gewetenloze multinationals. De man is een neurotische waterval van lege woorden.

Gelukkig mag ik vroeg naar bed. Wanneer we de volgende ochtend aan het door de dienstvrouw bereide ontbijtbuffet verzamelen, heeft Tielke opvallend kleine oogjes.

Ze blijkt de voorgaande nacht met Marco genachtbraakt te hebben, zij het niet in een zwoele tropenbries. Wat Marco vrijwel nooit durft, heeft hij bij haar gewaagd; in rap Duits en met een overvloed aan tranen heeft hij zijn schreeuwende verdriet met haar gedeeld. Tot diep in de nacht heeft hij voorgelezen uit een boek dat hij schreef voor zijn gestorven zoon. Gedichten van eigen hand heeft hij voorgedragen en tot in details deed hij uit de doeken hoe en waarom de jongen is overleden.

Marco’s zoon bleek te lijden aan vetzucht en had zo lang aan zijn vaders hoofd gezeurd om een lipposuctie te mogen ondergaan dat Marco er ten einde raad en tegen zijn zin mee instemde. Zijn kind is onder narcose gestikt. In Miami’s beste ziekenhuis. Mijn gedachten dwalen van het rijkelijk uitgestalde ontbijtbuffet naar Pescadito, het eenzame visje dat ik een week daarvoor had ontmoet in de Caribische zee. Opnieuw word ik overrompeld door compassie en ditmaal beloof ik mijzelf om Marco meer in acht te nemen. Zijn bravoure, het dikdoen met geld en het strooien met klinkende namen; het zijn slechts onhandig vermomde schijnbewegingen om voor even het zeurende monster van de schuld te begraven onder een stortvloed van woorden. Als ik hem, op onbewaakte ogenblikken, recht in de ogen staar, heeft hij geen tijd om zijn autoritaire blik op te zetten en komt het verwrongen aangezicht van de pijn ongemaskeerd naar voren. Marco hunkert naar vergiffenis.

Gelukkig hebben we die dag vrij en Marco is zo genereus geweest om zijn four wheel drive met chauffeur tot onze beschikking te stellen. Omdat geen van ons gewoon is om orders te geven aan gedienstige personen, gooien we het over een andere boeg en besluiten om vrienden te worden met Eduardo, de bestuurder. Ik moet even wennen, maar Lucas breekt het ijs. Zo gelaten als hij omgaat met de rijken der aarde, zo open stelt hij zich op naar de gewone man, en dus ook naar Eduardo.

20060303Waar de oprechtheid in het contact tussen Lucas en Marco lijdt onder de in Latijns Amerika onoverbrugbare afstand tussen arm en rijk, is het gemak waarmee Eduardo inspeelt op Lucas’ toenadering kenmerkend voor de warmte waarmee over het hele continent gelijkgestemden in luttele uren een hechte vriendschap aangaan. Ik vaar wel bij deze warmte en maak handig gebruik van mijn overzeese komaf om er bij alle bevolkingslagen van te profiteren. De rijken verdenken mij er nogal eens van, enkel om mijn huidskleur en helaas ten onrechte, dat ik nog vermogender ben dan zij, terwijl de armen mij vaker dan ik verdien vergelijken met een uit pure liefde van het westerse Walhalla overgevlogen missionaris.

De waarheid is minder romantisch. Een gewone vent met een gewoon Europees inkomen die het leuk vindt om een handvol kinderen te helpen; en die, als hij aan het eind van elke zomer de balans opmaakt, steevast veel meer liefde van die kinderen heeft ontvangen dan hij hen ooit zal kunnen geven. Wie zou niet telkens terug gaan?

Die avond zijn we uitgenodigd in het 19de eeuwse theater van Bogotà, een pronkstuk van Italiaanse architectuur. Menig Europese operadirecteur zou zijn partner inruilen voor zo’n paleis. Marco heeft, uiteraard via een invloedrijk contact, gratis logekaartjes bemachtigd voor de première van een door ex-straatkinderen uitgevoerd stuk.

Het blijkt geniaal. Er wordt gedanst, gezongen, gesproken en gespeeld als in de hemel. Bogotà’s crème de la crème bewondert ademloos de gracieuse, onsterfelijke twintigers die hen als elfjarigen nog beroofden om in hun dagelijkse portie kinderdrugs te voorzien. Op het hoogtepunt van het stuk somt tegen de rand van de coulissen, half belicht door een bleke spot en half gewikkeld in het gordijn, alsof hij zo de onverdraagbare waarheid met verband kan omzwachtelen, een jongen met grafstem het aantal slachtoffers op dat de laatste jaren is gevallen in Irak, Londen, Bali, Madrid, maar vooral ook in Colombia’s aanhoudende gewapende conflict, terwijl op de vloer een andere jongen een gedanste doodstrijd aangaat onder een stroboscoop die als een mitraillette lichflitsen afvuurt op het ritme van de verontrustend aanzwellende roffel van een pauk.

Ik kijk naar Lucas. Lucas is nooit eerder in zo’n theater geweest. In zijn gezicht zie ik de consternatie, de vanzelfsprekendheid waarmee hij het verdriet om de doden deelt en zijn emotie openbaart. Tielke huilt. Ik ook. Dan gluur ik naar Marco, haast tersluiks, als een ongenode gast in een angstvallig gesloten privé-tuin. Heel even, te kort om het zeker te weten, meen ik een glimp op te vangen van medeleven. Dan merkt hij dat ik naar hem staar en als op afroep verschijnt de warse blik van een licht verveelde, ongeraakte kerel op zijn gelaat. Dat is pas theater.

20060304Lucas en Marco, twee mannen, twee levens. Lucas voedt zijn gezin met twee studerende kinderen van 150 euro maandsalaris. Marco heeft twee penthouses, een villa en tientallen mensen in dienst. Zo op het eerste oog, wanneer je naar hen kijkt in de pronkende pracht van het theater, lijkt het zonneklaar wie succesvol is. Niet dat kleine, donkere mannetje dat bescheiden staat te luisteren in zijn uit een hulpgoederencontainer opgeviste jasje. Die grote, lichter gekleurde, die zich zo gemakkelijk tussen de elite beweegt met een coupe champagne in de ene hand, een Cubaanse sigaar in de andere.

Maar schijn bedriegt. Pas later, als de rust is weergekeerd, vraag ik mij af waarom succes zo vaak gemeten wordt in geld, in status. Kun je succes wel verpakken in een economische formule? Ondanks de auto’s, de jachten en de villa’s, zou ik liever in Lucas’ huid kruipen dan die van Marco. Lucas bloeit, Marco verwelkt.

Die zomer probeer ik om succes anders te meten. Succes staat niet op mijn bankrekening; ik leer het te zien als de hoeveelheid geluk die ik weet te scheppen, voor mezelf en voor mijn omgeving. Hoe zou de wereld er uit zien als managers en ministers, maar ook moeders en vaders, iedereen, zijn succes zo zou tellen? Wat zou dan onze drijfveer zijn? En wie zou de dikste portemonnee hebben?

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans!

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans.

Pescadito

11 juli 2006, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20060201Cartagena, Colombia, ‘s ochtends vroeg. Zijn vlezige wang drukt diep in de hoofdsteun van de voorstoel maar het schijnt hem niet te deren zo lang hij een welwillende luisteraar heeft. Ikzelf deel de achterbank met een doorrookte Duitser die iets te vroeg met pensioen lijkt te zijn gegaan en een Colombiaanse tandarts die in haar vrije uurtjes duikinstructrice is. In de tien minuten sinds Marco en ik elkaar de hand hebben geschud heeft hij me al haarfijn uitgelegd dat hij eigenaar is van Colombia’s grootste transportbedrijf, dat de Duitser zijn schoonbroer is en dat hij vandaag zijn vijfhonderd zesenveertigste diepzeeduik gaat maken.

“en jij Bastian, hoe vaak heb jij al gedoken?”

Marco heeft de eerste 18 jaar van zijn leven in Keulen doorgebracht, ook dat had hij tussen neus en lippen door al even laten vallen, en schakelt doodleuk om de andere zin over van Duits naar Spaans of andersom. Mijn verklaring dat Bas in het Spaans Sebastian wordt, heeft hij kennelijk met zijn Duitse oor aangehoord. Ik word Bastian gedoopt.

“Uuhhm, nou Marco, een keer of acht”.

Als hij zich wegdraait om de nieuwswaarde van dit feit tot zich door te laten dringen, lijkt het een moment alsof zijn wang besloten heeft om te blijven vastplakken aan de hoofdsteun, maar na enig weifelen besluit de kwab om toch maar bij haar eigenaar te blijven en weekt zich zonder overtuiging los. De plastic rand van de zitting tekent zich als een prachtig doorbloedde lijn af onder Marco’s jukbeen en doet vaag denken aan een vluchtig gestolen zoen van een goedkope minnares met foute lipstick. Het is bijna aandoenlijk.

San Pedro Sula, Honduras, rond hetzelfde tijdstip. Naarmate de motoren van de glimmend nieuwe Airbus 320 van Taca Airlines harder beginnen te loeien, zakt Lucas dieper weg in de zitting van zijn stoel, alsof hij de angst kan verminderen door zichzelf kleiner te maken. Lucas heeft nooit gevlogen. Hij is nog nooit zijn land uitgeweest, moest speciaal voor deze reis een paspoort laten vervaardigen en heeft geen geld op zak. Geen cent.

Hij is een vreedzame, bijna statige man, die ondanks zijn wat groezelige, tweedehands kleren en zijn eendachtige tred een waardigheid uitstraalt die hem voorgaat op zijn pad en die hem altijd vergezelt, waardoor mensen zich onwillekeurig tot hem aangetrokken voelen en graag in zijn rustgevende nabijheid verkeren.

20060202Cartagena, Colombia, een uurtje later. Marco wijkt geen duimbreed van mijn zijde. Onder het monotone kabaal van de speedboot die ons naar het koraalrif racet, blijft hij onverstoorbaar tegen me aan praten, in zijn brabbelbrij van Duits en Spaans. De meeste klanken worden voor eeuwig meegedragen op de Caribische winden nog voor ze mijn oren bereikt hebben. Overbodige inspanning.

Wel heb ik tot mijn schrik duidelijk verstaan dat ik van harte welkom ben in zijn pied-à-terre in Bogotá, de hoofdstad van het land, wanneer ik maar wil. De tegenwerping dat ik rond de tijd dat ik daar beland vergezeld zal zijn van drie reisgenoten, wordt terzijde gewuifd als een triviaal detail. In Marco’s huis zijn wel tien kamers!

Nu zijn niet aflatende gepoch me begint te irriteren, maak ik slinks aanstalten om onder het mom van opspattend zeewater te verkassen, terwijl ik ostentatief de onderkant van mijn doorweekte, naar zilt geurende t shirt welgemikt boven Marco’s kurkdroge leren schoen uitwring, om de noodzaak van verhuizing kracht bij te zetten. Vastbesloten grijpt hij mijn schouder beet. Niet uit boosheid. Van zijn gezicht valt een verdovende angst af te lezen, alsof hij plots beseft dat hij te ver is gegaan en zijn welwillende luisteraar dreigt te verliezen; een verlies dat hij zich schijnbaar niet kan veroorloven.

“Mijn kind is dood”. Hij braakt de woorden haast uit. “22 Maanden geleden is mijn zoon gestorven. Mijn vrouw en andere kinderen wonen in Miami, dus in Bogotá zijn alle slaapkamers vrij, snap je? Voor jou, voor je vrienden.”

Dus dat is het. Marco kwijnt weg in zijn verdriet en probeert de immense leegte op te vullen door paaiende woorden en dwingende, te vlug vergeven uitnodigingen in het rond te strooien. Die zullen de leegte nooit vullen. Wegrennen is vergeefse moeite want de pijn heeft zich als een gezwel in zijn lijf verankerd en rent net zo hard met hem mee. Ieder uitweggetje dat hij wanhopig inslaat loopt dood en telkens als hij tegen een muur aanklettert schrikt hij weer wakker, versuft van angst. Vandaag ben ik de muur.

“Dat is verschrikkelijk Marco, het spijt me om te horen van je zoon”. In slow motion laten mijn handen het uitgewrongen, vochtige t shirt gaan en schuldbewust beweegt mijn blik zich van de fijn gevouwen plooitjes in het textiel naar de wit omlijnde, uitgebeten zoutvlek op zijn dure, leren schoen.

Dan kijk ik Marco recht in de ogen en zie voor het eerst die dag een voorzichtige, verontschuldigende glimlach om zijn lippen krullen. Even twijfel ik. Vergeeft hij me nu mijn onbeleefde actie met de zoutvlek, of is dit zijn manier om excuses aan te bieden voor zijn indringende gedrag? Ik zal het nooit weten, maar de muur is doorbroken.

Ter nagedachtenis aan hun zoon hebben Marco en zijn echtgenote zendtijd op de Colombiaanse televisie gekocht. Wie een middelbare school heeft afgerond maar de universiteit niet kan betalen, krijgt na een selectieprocedure in hun programma een kans op een beurs. Al tientallen jongeren hebben zo hun weg naar het hoger onderwijs gevonden. Het lijkt me een veel betere methode om zijn verdriet te verwerken dan in het wilde weg vreemdelingen in zijn lege huis uit te nodigen.

San Salvador, El Salvador, rond hetzelfde tijdstip. Al na de eerste tussenlanding heeft Lucas zich het vliegen eigen gemaakt en stapt hij aan boord als een doorgewinterde reiziger, zonder daarbij zijn bescheidenheid in te ruilen voor de nonchalante flair waarmee menigeen de slurf inloopt die graag laat merken dat een vliegreis voor hem geen geheimen meer kent.

Lucas is onderweg naar Colombia, waar hij een project voor straatkinderen gaat bezoeken dat tientallen jaren ervaring heeft. Als directeur van het opvangcentrum in Honduras is hij bij uitstek geschikt om er kennis op te gaan doen die hij later kan delen met zijn collega’s. Zijn reis wordt betaald door behulpzame Amerikanen.

Cartagena, Colombia, middag. Tijdens de tweede duik ben ik op een piepklein visje gestuit, dat, in tegenstelling tot de meeste visjes in enge diepe zeeën waar het wemelt van de haaien en andere roofdieren, dood eenzaam in de rondte zwom. Ik geloof dat hij blij was om me te ontmoeten, want hij kwispelde vrolijk met zijn staartje en maakte allemaal luchtige bubbeltjes van blijdschap, vlak voor mijn gezicht.

20060203Ik doopte hem “Pescadito”, Spaans voor minivisje, en terwijl we samen opzwommen tegen de golfstroom, in Marco’s kielzog, viel me op dat Pescadito en ik die dag in dezelfde tinten waren gehuld. Zijn gezichtje was van hetzelfde zeegroen als mijn duikmasker, zijn vissenlichaampje had de rode strepen van mijn wetsuit, de vin die parmantig op zijn rug tooide was van het hemelsblauw waarin ook de zuurstoffles op mijn schouders geschilderd was, en Pescadito’s kwispelende, kanariegele staartje, deinde mee op het ritme van mijn minstens even gele zwemvinnen. Als klap op de vuurpijl maakte ik net zulke luchtbubbels als hij.

Dit kon geen toeval zijn, dacht Pescadito natuurlijk, en prompt bombardeerde hij mij tot zijn moeder. In deze nieuwe, door de natuur opgelegde rol als hoedster van het kroost, dwaalden mijn gedachten onwillekeurig af naar Marco en dankzij de kleine Pescadito kan ik mij nu beter verplaatsen in zijn eenzaamheid. In wezen is ook de uitbundige Marco een verlaten visje in zijn grote, doorzichtige aquarium.

Compassie, curiositeit en een dosis gierigheid omdat ik drie hotelnachten kan uitsparen krijgen de overhand en als Marco bij het afscheid nemen nog één keer vraagt of we willen komen logeren, neem ik het aanbod gretig aan. Als een kind zo blij krabbelt hij zijn drie mobiele nummers – zakelijk, privé en een Amerikaanse voor buitenlandse partners – linea recta in mijn agenda om zich er van te vergewissen dat ik ze niet kan wegfrommelen, terwijl ik me in mijn achterhoofd afvraag hoe hij in hemelsnaam drie mobiele telefoons met zich meedraagt.

Colombiaans luchtruim, zonsondergang. Terwijl het ronkende propellervliegtuigje dat me met Lucas zal verenigen de stadslichten van Cartagena steeds dieper onder zich laat, probeer ik me voor te stellen wat ze van elkaar zullen denken. Lucas en Marco. Over enkele dagen ontmoeten zij elkaar. De nederige, arme sloeber en de pochende multimiljonair, de man die nog nooit gevlogen heeft en de man die al meer dan vijfhonderd maal heeft diepzee gedoken. De man die gelukkig is…en de man met het verdriet.

Ondertussen scheert het vliegtuigje over de uitlopers van de Andes en ik kijk toe hoe de Zon en de imposante bergketens met elkaar in een kleurendans verwikkeld zijn tot zelfs de hoogste toppen geen straal meer vangen kunnen. In wezen hebben Lucas en Marco hetzelfde doel. Beiden proberen de wereld een mooiere plek te maken, beiden proberen jonge mensen een kans te geven op een waardige toekomst. Maar er is één frappant verschil. Marco’s drijfveer is verdriet, Lucas strijdt uit overtuiging. Zal hun ontmoeting wel goed verlopen?

Over twee dagen het slot

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans.