Haar glimlach spreekt boekdelen, Yuliza is gelukkig! Daar is dan ook alle reden toe; Yuliza is vandaag voor het eerst naar school geweest. En niet zo maar een school ook. Nee, Yuliza is officieel aangenomen als leerling op de beste school van El Progreso; met Engelstalig onderwijs, kleine klassen en zelfs een basketbalveld met van die rare netjes die heeeeel hoog hangen en waar je een bal in moet mikken.
Als dat zo doorgaat kan ze binnenkort Engelse les geven aan de oppas in het weeshuis en de andere kinderen in de buurt die nieuwe sport leren die nog haast niemand kent in haar stad: basketbal. Wie had dat ooit gedacht, het is nog maar drie jaar geleden dat Yuliza als uitgemergelde peuter het voedingscentrum in werd gedragen, het lijfje verwoest door honger, het vel verschrompeld door uitdroging. Haar eigen moeder had haar gebracht. Ze was op, het ging niet meer, en als ze nog twee dagen had gewacht was Yuliza overleden.
Het voedingscentrum in El Progreso bestaat al jaren en is opgericht door de katholieke kerk. Ernstig ondervoede baby’s en peuters worden er opgenomen tot ze voldoende zijn aangesterkt om weer zonder intensieve zorg verder te kunnen. Ze komen er terecht via het armenhospitaal, ziekenboegen of diep beschaamde moeders. Ook Yuliza’s moeder kwam pas opdagen toen de wanhoop meer pijn deed dan de schaamte. Schaamte voor wat? Dat je geen geld hebt om je eigen kind één maaltijd per dag te geven? Dat je nooit naar school bent geweest en dus de gebruiksaanwijzing voor het gedoneerde melkpoeder niet kan lezen?
Yuliza heeft geluk gehad. Niet alleen is ze in korte tijd enorm aangesterkt, de rechter heeft ook nog eens besloten dat er voor haar een plaatsje moest komen in het weeshuis. Omdat zo veel kindertjes slechts maanden nadat ze waren opgeknapt opnieuw in een verwaarloosde staat bij het voedingscentrum terecht kwamen, heeft men daar besloten de zaken anders aan te pakken.
Zo werd de moeder, vader of een ander familielid verantwoordelijk gesteld voor het welzijn van het eigen kind. Elke verantwoordelijke persoon wordt geacht minimaal één dag in de week te helpen met het voeden, verschonen en verzorgen van alle baby’s en wordt daarnaast verplicht om info uurtjes bij te wonen over hygiëne, ondervoeding en kinderzorg. Een geweldig initiatief waardoor onwetendheid overgaat in kennis, afstandelijkheid vervangen wordt door betrokkenheid, en schaamte uiteindelijk plaats kan maken voor trots.
Maar dat is niet altijd genoeg. Soms zijn er geen ouders meer en is er geen familielid die de zorg voor het kind op zich kan of wil nemen. Soms is de moeder pas een jaar of dertien en volstrekt niet in staat om voor haar kind te zorgen. En soms is het een gruwelijke samenloop van omstandigheden zoals die enkel in extreem arme landen het lot van mensen kan bepalen. Zoals bij Yuliza’s moeder, die weliswaar al op haar vijftiende zwanger werd, maar van een vriendje die dolgraag voor hen wilde zorgen.
Toen kwam Mitch op bezoek, de beruchte orkaan die in oktober 1998 meedogenloos over Honduras raasde, tienduizend mensen in haar kielzog meenam en er ruim honderdduizend dakloos maakte. Het vriendje kwam om, Yuliza’s moeder was dakloos, en twee maanden later kwam haar zoontje Ricardo vaderloos en thuisloos ter wereld.
Sindsdien is het bergafwaarts gegaan. Hoe kun je zorgen voor je zoontje als je geen onderdak hebt, niet hebt leren schrijven, en te arm bent om eten te kopen? Nog voordat Yuliza geboren werd was haar halfbroertje Ricardo al opgenomen in het voedingscentrum. Hij had cholera gekregen omdat hij werd gewassen in besmet rioolwater. Ook hij werd geweldig opgevangen en sterkte snel aan, maar in zijn tijd bestond het weeshuis nog niet en hij belandde uiteindelijk op straat, waar meer te eten was dan bij moeders thuis.
Gelukkig heeft Yuliza daar geen weet van. Juist om te voorkomen dat kinderen nog van het voedingscentrum op straat terecht kwamen, heeft de katholieke kerk van El Progreso anderhalf jaar geleden een eigen weeshuis geopend. Bijna de helft van de donaties komen van de lokale bevolking; een indrukwekkende prestatie in zo’n arme stad en een bewijs voor de betrokkenheid van Yuliza’s medeburgers. Vaak leiden de kleine daden van velen tot grote veranderingen.
De school waar Yuliza heen gaat is hartstikke duur want het is een privé school voor de rijkere kinderen uit de stad. Normaal zou Yuliza daar nooit heen kunnen, maar uit solidariteit is besloten dat zij samen met alle andere kinderen uit het weeshuis voor de helft van de prijs haar opleiding krijgt; de andere helft wordt betaald door Amerikaanse donateurs. Daarom glimlacht ze nu zo heerlijk breed. Ze heeft natuurlijk geen flauw benul van die donateurs, of zelfs maar dat het geld kost om naar school te gaan, want als je net zes bent geworden is dat helemaal niet belangrijk.
Yuliza glimlacht vanwege dat gloednieuwe roze rugzakje dat om haar schouders prijkt, en vanwege dat prachtige potlood, met die vlijmscherpe, naar vers lood en slijper ruikende punt, waar ze vanochtend haar eerste Engelse woord mee heeft leren schrijven: Welcome. Uitspreken gaat nog niet zo goed, maar met al die buitenlandse vrijwilligers in het weeshuis praat ze in een mum van tijd vast nog beter Engels dan haar rijkste klasgenootjes!
Met haar oudere broertje Ricardo gaat het inmiddels ook een stuk beter. Ricardo heeft een zware tijd achter de rug. In het begin ging het bedelen heel goed. Voor zo’n guitig kindertoetje was haast iedereen wel bereid om een keer in de buidel te tasten. Maar in je eentje op straat wonen is vreselijk eng als je nog zo klein bent. Een vriendje had hem voorgedaan hoe je lijm kunt snuiven. Daar wordt je high van; het verdoezelt de honger en je bent nergens meer bang voor, zelfs niet voor grote mensen!
Maar van het één kwam het ander. Wie lijm snuift heeft meer geld nodig en het doet het schattigheidsgehalte van je gezicht ook niet echt goed. Al gauw moest Ricardo stelen om voldoende drugs te kunnen kopen. Eten deed hij steeds minder. Uiteindelijk werd hij opgepakt. Gelukkig hoefde hij niet naar de gevangenis. De rechter liet hem bij Proniño plaatsen, een project voor straatkinderen in El Progreso, een paar kilometer bij het weeshuis van zijn zusje Yuliza vandaan.
Ricardo gaat niet naar de privé school van zijn zusje want daarvoor hebben hij en zijn vriendjes te veel achterstand opgelopen. Bovendien hebben de meeste van hen zo’n vreselijke trauma’s opgelopen door alle misbruik en ellende van het straatleven, dat ze het eerste jaar bezig zijn met bijkomen en weer kleur in het leven te leren zien. Inmiddels kan ook Ricardo weer glimlachen, en in zijn geval is dat niet zo maar een glimlach. Hij heeft er extra hard voor moeten werken, maar nu schatert hij het soms uit van de lol. De guitigheid op zijn gezicht is alweer teruggekeerd en wie hem zo uitbundig zijn gang ziet gaan bij Proniño zou bijna vergeten dat hij nog maar kort geleden een drugsverslaafd straatschoffie was. Wie weet, kan Ricardo zelf het ook ooit vergeten, of in elk geval een gepaste plek geven in zijn leven.
Het is maar goed dat er zo veel vrijgevigheid bestaat in onze wereld. Zonder de inzet van de werknemers en vrijwilligers zouden Yuliza en Ricardo tot een vroege dood veroordeeld zijn. Zonder de donaties van hun stadsgenoten en onbekende buitenlanders uit mysterieuze, verre landen, zouden ze niet kunnen eten, laat staan een opleiding krijgen. Hoe jong ze ook zijn, Yuliza en Ricardo hebben één ding al heel goed begrepen: het is een groter geschenk om te kunnen geven, dan om te ontvangen.
Yuliza droomt dat ze op een dag lerares Engels is en haar eigen moeder les kan geven, zodat die ook leert schrijven en misschien zelfs een baan vindt. Ricardo? Die droomt dat hij brandweerman wordt, en natuurlijk dat hij een huis kan kopen waar hij dan met Yuliza en hun moeder kan gaan wonen. Aan hun glimlach te zien zijn het dromen die vast ooit uit gaan komen
Geef een kind een kans, schenk de wereld balans!

In het vorige deel is Ramiro uit het opvangcentrum vertrokken en vertelt Kike over de moord op zijn vader, waar hij getuige van was.
Christi begrijpt het niet, of misschien juist al te goed; terwijl hun lichamen gescheiden worden door een simpel hekwerk, spelen hun levens zich af op verschillende planeten. Ramiro zal nooit meer deel uitmaken van Christi’s wereld, hij zal nooit meer opklimmen uit het ravijn waar de wreedheid van zijn leven hem in heeft gestort.
De eerste stappen zijn weifelend, als van een man op de maan. Dan merkt hij dat hij niet voorover valt, niet struikelt, zelfs niet als hij sneller loopt. Al gauw springt hij in het rond en de lach op zijn gezicht doet me denken aan het verdriet van Christi bij het hek, weken eerder. Christi kon even niet meer zien dat er meer geluk is dan verdriet, meer liefde dan angst en veel meer succes dan falen. Voor elk kind dat afvalt zijn er vier die blijven.
Het is een mooie vrouw. Ze is een jonge veertiger met de looks van een dertiger en de lacherige lichtheid van een twintiger. Ze kan bogen op de ervaring van een vijftiger en heeft meer landen bezocht dan een ander in twee levens. Christi, uit Amersfoort. Ze huilt en de tranen maken haar nog mooier.
De liefde van de leraren, de knuffels van Christi, de aandacht van de groep, het was mooi maar het was niet genoeg. Op zijn zevende belandde Ramiro op straat en we vonden hem pas vijf laar later. Wat er in die vijf jaar gebeurd is weet niemand en zo is het goed.
In het eerste deel van dit verhaal werd een tipje van de sluier gelicht uit de levens van Lucas en Marco. Lucas is arm, heeft nooit gereisd, maar is een gelukkig mens. Marco is miljonair en heeft de halve wereld gezien, maar is een droeve man. Allebei doen hun best om jongeren een beter bestaan te bieden. Marco uit verdriet, Lucas uit overtuiging.
Wanneer we de glazen lift betreden, met directe toegang tot de hal van Marco’s loft, bespeur ik voor het eerst een spoor van opwinding in Lucas’ ogen. De man die onder alle omstandigheden zo bedeesd blijft, kan nu zijn gezicht niet in de plooi houden van bewondering en tot mijn opluchting geeft hij eindelijk even toe aan de menselijkheid in hem. Het uitzicht is dan ook adembenemend. Terwijl de lift geruisloos naar boven gezogen wordt door onvoelbare krachten, kijken we door het glas uit over een megapool met vijf miljoen inwoners, ontsproten in een weidse vallei en omtorend door imposante bergtoppen, waarvan de hoogste besneeuwd zijn. Tegen die tijd heeft Marco al blakend van trots uit de doeken gedaan dat hij het streng bewaakte gebouw deelt met zulke puissante figuren als de ambassadeur van Amerika, van Bolivia en van Duitsland, alsmede een handvol machtige industriëlen van een keur aan gewetenloze multinationals. De man is een neurotische waterval van lege woorden.
Waar de oprechtheid in het contact tussen Lucas en Marco lijdt onder de in Latijns Amerika onoverbrugbare afstand tussen arm en rijk, is het gemak waarmee Eduardo inspeelt op Lucas’ toenadering kenmerkend voor de warmte waarmee over het hele continent gelijkgestemden in luttele uren een hechte vriendschap aangaan. Ik vaar wel bij deze warmte en maak handig gebruik van mijn overzeese komaf om er bij alle bevolkingslagen van te profiteren. De rijken verdenken mij er nogal eens van, enkel om mijn huidskleur en helaas ten onrechte, dat ik nog vermogender ben dan zij, terwijl de armen mij vaker dan ik verdien vergelijken met een uit pure liefde van het westerse Walhalla overgevlogen missionaris.
Lucas en Marco, twee mannen, twee levens. Lucas voedt zijn gezin met twee studerende kinderen van 150 euro maandsalaris. Marco heeft twee penthouses, een villa en tientallen mensen in dienst. Zo op het eerste oog, wanneer je naar hen kijkt in de pronkende pracht van het theater, lijkt het zonneklaar wie succesvol is. Niet dat kleine, donkere mannetje dat bescheiden staat te luisteren in zijn uit een hulpgoederencontainer opgeviste jasje. Die grote, lichter gekleurde, die zich zo gemakkelijk tussen de elite beweegt met een coupe champagne in de ene hand, een Cubaanse sigaar in de andere.
Cartagena, Colombia, ‘s ochtends vroeg. Zijn vlezige wang drukt diep in de hoofdsteun van de voorstoel maar het schijnt hem niet te deren zo lang hij een welwillende luisteraar heeft. Ikzelf deel de achterbank met een doorrookte Duitser die iets te vroeg met pensioen lijkt te zijn gegaan en een Colombiaanse tandarts die in haar vrije uurtjes duikinstructrice is. In de tien minuten sinds Marco en ik elkaar de hand hebben geschud heeft hij me al haarfijn uitgelegd dat hij eigenaar is van Colombia’s grootste transportbedrijf, dat de Duitser zijn schoonbroer is en dat hij vandaag zijn vijfhonderd zesenveertigste diepzeeduik gaat maken.
Cartagena, Colombia, een uurtje later. Marco wijkt geen duimbreed van mijn zijde. Onder het monotone kabaal van de speedboot die ons naar het koraalrif racet, blijft hij onverstoorbaar tegen me aan praten, in zijn brabbelbrij van Duits en Spaans. De meeste klanken worden voor eeuwig meegedragen op de Caribische winden nog voor ze mijn oren bereikt hebben. Overbodige inspanning.
Ik doopte hem “Pescadito”, Spaans voor minivisje, en terwijl we samen opzwommen tegen de golfstroom, in Marco’s kielzog, viel me op dat Pescadito en ik die dag in dezelfde tinten waren gehuld. Zijn gezichtje was van hetzelfde zeegroen als mijn duikmasker, zijn vissenlichaampje had de rode strepen van mijn wetsuit, de vin die parmantig op zijn rug tooide was van het hemelsblauw waarin ook de zuurstoffles op mijn schouders geschilderd was, en Pescadito’s kwispelende, kanariegele staartje, deinde mee op het ritme van mijn minstens even gele zwemvinnen. Als klap op de vuurpijl maakte ik net zulke luchtbubbels als hij.
Witte mensen kunnen met een stukje plastic geld uit een muur halen. Zomaar, voor niets! Zijn kleffe vingertjes strijken vol ontzag over mijn bankpasje en door het zware gepeins ontstaan er overal prachtige plooien op zijn anders puntgave kinderkoppie. Aan de vingertjes prijkt her en der nog een trots restje tandpastaschuim. Sinds zijn eerste bezoek aan de tandarts maakt Pedro namelijk deel uit van de overenthousiaste poetsbrigade. Drie maal daags na het eten wordt er vlijtig geschrobd, met als drijfveer natuurlijk de pijnlijke herinnering aan boortjes en tangen.
De assistente is niet gecharmeerd. Ze oppert dat we de volgende morgen terug mogen komen om de resultaten op te halen. Daar kunnen Pedro en ik ons uitstekend in vinden en we profiteren van de vrije ochtend om de moderne magie van de grote stad te ontdekken. Samen spijbelen!
Moet ik hem nu uitleggen dat zijn moeder kanker heeft en dood eenzaam in haar kleien hutje ligt te creperen? Ik loop weg om de ijsjes af te rekenen. Als ik terugkom, vermijd ik angstvallig Pedro’s vragende ogen. Lafaard.
Voorlopig zal hij genoegen moeten nemen met een enkeltje opvangcentrum in mijn uitgeleefde Toyotaatje. In een buitenwijk rijden we de grote jongens tegen het lijf, die net uit school komen. Voor één keer voert kleine Pedro het hoogste woord en hij vertelt honderduit over al zijn ontdekkingen: telefoons zonder stekker, een tv scherm waarop de mensen in Nederland al zijn voetbalwedstrijden live kunnen volgen, en dat hij een truc heeft geleerd om gratis geld uit een muur te halen. Zo veel je maar wilt!
“Ja jongen”