Op wereldreis met een rolletje plakband

20 augustus 2005, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20050302“Soy mojada”, ik ben nat. Buiten straalt de zon en is het krukdroog. Mijn verdwaasde blik pint zich onwillekeurig vast in Maria’s glinsterende ogen en als gehypnotiseerd staar ik haar luttele tellen aan, balancerend tussen blinde paniek en hilariteit. Haar ontwapenende grijns tovert me uit mijn koortsachtige overpeinzingen en pas dan begint het me te dagen waar zij natuurlijk op doelt.

Maria lift mee in mijn aftandse Toyotaatje. We bevinden ons in één van de meest verloederde wijken van de stad, waar argeloze westerlingen vogelvrij zijn verklaard, maar waar ik mij als een schim begeven heb om twee kleine meisjes op te halen die zo graag hun broertjes in ons opvangcentrum willen bezoeken. Zonder er doekjes om te winden vertelt Maria dat ze twee jaar borden heeft gewassen op de snikhete zolder van een restaurant in Houston, Amerika. Maria was daar illegaal. Samen met haar maken elk jaar duizenden Centraal Amerikanen de levensgevaarlijke tocht naar het beloofde land, naar het land waar de dollars voor het oprapen liggen en iedereen zijn dromen waar kan maken.

“Los mojados”, de natterikken, noemen zij zichzelf. Na een reis van enkele dagen door eigen land en Guatemala, stuiten zij op de eerste hindernis van betekenis, de Mexicaanse grens. Wie gepakt wordt krijgt een enkeltje thuisland, wie het redt heeft 3.000 kilometer Mexicaanse bergen en woestijn voor de boeg. Zonder geld, zonder identiteit. Aan het eind van die woestijn wacht hen echter het grootste obstakel: een woeste rivier met aan de overkant waakhonden, Amerikaanse grenswachten en metershoog prikkeldraad. Wie de andere oever haalt is op zijn minst kopje onder geweest. Een “natterik” dus.

20050301Haar relaas over de barre tocht naar Amerika doet me denken aan een akkefietje dat ik zelf een jaar eerder bij een grensovergang had. Dat akkefietje valt in het niet bij de verschrikkingen die Maria heeft doorstaan. Tot mijn schrik ontdekte ik in 2004 tijdens een weekendverlof in El Salvador dat de plastic hoofdpagina van mijn paspoort zich had losgescheurd. De consul in de hoofdstad van het minuscule landje, dat haast nooit door Nederlanders wordt aangedaan, wist mij plechtig te melden dat zijn ontvangstruimte met regelmaat werd bestormd door paniekerige landgenoten die hetzelfde was overkomen. Een nieuw paspoort kostte drie weken en 80 euro.

Uit een soort misplaatste vrekkigheid en met de absurde gedachte dat ik het ministerie van buitenlandse zaken een hak kon zetten, besloot ik toentertijd dat ik ook met een in tweeën gescheurd document vast nog wel de wereld rond kon trekken. Ik had dat jaar besloten om na het vrijwilligerswerk in Honduras via zes min of meer dictatoriale Aziatische staten naar Nederland terug te reizen. Een lieve glimlach doet vaak wonderen, dacht ik nog naïef.

Gewapend met een nagelschaartje, een pincet en een rol transparant ziekenhuisplakband heb ik uren geconcentreerd zitten zwoegen om mijn bloedeigen paspoort te vervalsen en in de knusse huiselijkheid van mijn Hondurese appartementje beschouwde ik het resultaat als uitermate grensbestendig. Een dag later, in het vliegtuig, was het gedaan met de bravoure.

In de rij voor de bloedserieuze douanebeambten van Los Angeles International Airport, werd het me akelig duidelijk dat een lieve glimlach hier volstrekt geen wonderen zou doen. Paniekbeelden over stevige ondervragingen en verplichte deportatie schoten door mijn hoofd.

20050303Hoe had ik zo naïef kunnen zijn om ook maar een moment te denken dat mijn amateuristische geklungel met een nagelschaartje en een rolletje plakband onopgemerkt kon blijven voor de speciaal getrainde inspectiediensten van ’s werelds best beveiligde land? Sinds de septemberaanslagen komt een fruitvlieg deze natie niet eens binnen zonder doorgelicht te zijn, laat staan een heel mens.

Klamme handen. Een opzichtig zweetplasje vormt zich onmiskenbaar in de oksel van mijn t shirt en in films heb ik op die manier al menig gangster door de mand zien vallen. De rij slinkt. Mijn ogen speuren systematisch de ruimte af op zoek naar vluchtwegen maar dat is zinloos, die zijn er niet.

“Next!”, de stem van de beambte galmt na in de kilte van de steriele hal.

Dat ben ik.

Binnen enkele dagen het slot.

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans!

Reageer