In het vorige verhaal schreef Bas over zijn ontmoeting met Maria, die na een helse tocht door de Mexicaanse woestijn als illegaal in de Verenigde Staten kon werken. Het deed hem denken aan de keer dat hij met een in tweeën gescheurd paspoort de wereld over reisde. Hier het vervolgverhaal, waar Bas met klamme handjes bij de Amerikaanse douane aankomt.
“Hi”. Wat bedoeld was als een stoere, joviale groet, kwam er door de afgeknepen keel uit als de drie tonen te hoge noot van een dronken operette zangeresje.
“Waar kom je vandaan?”
“Uit Honduras, meneer”.
De man buldert een lachsalvo en zegt hartelijk dat ik er voor een Latino wel heel blank uitzie. In mijn nervositeit had ik niet begrepen dat hij mijn land van herkomst bedoelde, maar mijn vergissing is een schot in de roos want hij blijkt zelf een tot Amerikaan genaturaliseerde Latino te zijn.
Wanneer ik hem vertel dat ik maandenlang vrijwilligerswerk met straatkinderen heb gedaan krijg ik spontaan een high five met als bonus in dezelfde beweging alle benodigde stempeltjes om het land binnen te gaan. Mijn paspoort heeft hij niet ingekeken.
Triomfantelijk begeef ik mij naar de slurf waar vlucht SA738 van Singapore Airlines naar Tokyo vertrekt. Wie gewapend met een nagelschaartje de veiligheidsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika kan overwinnen, die kan heel de wereld aan. Of toch niet?
Dertien uur vliegen en een datumgrens verder bevind ik mij opnieuw in een rij. Ditmaal weet ik het meteen zeker. Ik word gepakt. De Japanse douanebureautjes zijn uitgerust met 100 watt gloeilampen, waaronder elk paspoort minutieus bestudeerd wordt. Deze truc had ik thuis ook al uitgevoerd. Hier bevindt zich het mankement van mijn ingenieuze operatie want het transparante ziekenhuisplakband dat de twee helften van mijn paspoort met elkaar verbindt, licht op in een waaier van discokleuren.
Argwanend kijkt de douanière mij aan. Tot mijn verbijstering spreekt ze geen woord Engels en zoals ik al vreesde heeft mijn mierzoete glimlach niet het minste effect. Ik moet mee naar een hok. Het deert me niet; ik ben Amerika ongeschonden doorgekomen en kan mij niet voorstellen dat de Japanners me zouden verdenken van paspoortvervalsing of het beramen van een aanslag op hun hoofdstad. Al na vijf minuten komt de chef, die me vriendelijk welkom heet in het land van de rijzende zon. Ik ben een vrij man.
Even overweeg ik de Amerikanen een setje gloeilampen te schenken voor hun strijd tegen het terrorisme. Ach, laat ook maar.
Ik ontwaak uit mijn mijmeringen en merk dat ik mij in werkelijkheid nog steeds met Maria op de voorbank van mijn autootje in Honduras bevind. Ze vertelt verder over haar avonturen als ongewenste vreemdeling in de Verenigde Staten.
Maria heeft die typisch Latijns-Amerikaanse gewoonte om vrolijk te blijven onder de meest deprimerende omstandigheden en ik benijd haar kunst om haar lijdensweg met zo’n oprechte glimlach uit de doeken te doen. Ze heeft hagelwitte tanden. In gedachten verzonken vraag ik me af hoe je zo broodarm kunt zijn en toch zulke witte tanden kunt hebben en tot mijn diepe schaamte betrap ik mezelf op een vleugje jaloezie.
Ze is de Latijns-Amerikaanse versie van de Afrikanen die de Europese Unie proberen te bereiken. Thuis in de luie stoel voor het journaal lijkt het zo onwezenlijk. Enkele tientallen Ghanezen die verdrinken in een wanhoopspoging om een Zuid-Europees eilandje te bereiken, een paar honderd Nigerianen in de boeien geslagen door de Marokkaanse politie omdat ze niet snel genoeg over het hek naar de Spaanse enclave konden klauteren. Je kijkt er naar of je zapt het weg.
Maar nu, in de intimiteit van mijn kleine autootje wordt het thema plots heel tastbaar. De ongewenste vreemdeling heeft nu een naam en een gezicht. Ze heet Maria. Ze is mooi, lief en eerlijk. In een opwelling wil ik haar omarmen, haar troosten, haar al het geld geven dat ik bij me draag en liefst ook haar dochtertjes adopteren. In plaats daarvan stel ik een vraag:
“Waarom deed je het Maria?”
“Voor mijn kinderen”
“Alleen voor hen?”
“Ja Bas, alleen voor hen”.
“Hoezo?”
“Bas, kijk om je heen, zie hoe we leven. Zou jij dat wensen voor je kinderen? Of zou je net als ik de kracht vinden om het onmogelijke te wagen?”
Maria’s wanhoop drijft haar tot een dapperheid die ik me in mijn rijkdom niet veroorloven kan. Geld dient het gemak en dat maakt dapperheid onbetaalbaar. Ze is vastbesloten, volgende maand gaat ze weer op weg naar de andere oever, naar Amerika. Haar oudste dochter, net vijftien lentes jong, moet op de kleintjes passen. Papa is dood, AIDS.
Ik lees geen angst in Maria’s ogen, geen greintje jaloezie en zelfs geen verbittering. Integendeel, ze straalt. Ze heeft maar één wens en het is de puurheid van die wens die haar de vleugels geeft om zo elegant te zweven door het leven dat nochtans zijn best doet om haar klein te krijgen. Maria’s wens is een beter bestaan voor haar kinderen.
Rijk, arm, wit of zwart, waar stond uw wieg toen u geboren werd? Waar is de balans tussen welvaart en armoede, tussen mens en natuur? Het evenwicht op deze planeet is zodanig verstoord dat onze wereld op haar grondvesten schudt. De Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, schijnbaar onneembare forten, gaan gebukt onder het kolossale gewicht van massaal toestromende fortuinzoekers en van hun eigen geweten.
Maria en consorten lijden verreweg het meest onder dit gebrek aan balans, maar zij zijn niet de enigen. Wij zijn bang voor onze banen, ons gevoel van veiligheid blijkt telkens meer op illusie gestoeld en dankzij moderne media en avontuurlijke vakanties worden we ons pijnlijk bewust van het gapende gat tussen “hen” en ons. Nederland, Denemarken en Australië staan op scherp vanwege raciale spanningen. De Fransen staken onlangs hun eigen land in brand en de Amerikanen zijn sinds 11 september 2001 zo van slag dat heel de wereld meetrilt.
Meer evenwicht ligt binnen handbereik maar durven we de uitdaging aan te gaan? Verreweg de meeste Afrikanen willen helemaal niet naar Nederland. Die vinden Nederland te koud, te blank en te vrijgevochten. Maria wil niet naar Amerika. “Ik haat dat land, de mensen zijn zo kil”, fluisterde ze me verlegen toe.
Maria waagt haar leven voor haar kinderen, de Afrikanen in hun wiebelige bootjes waarschijnlijk ook. Geel of zwart, katholiek, hindoe of heiden, hoe verschillend we ook lijken, op een enkele uitzondering na hebben wij allemaal een gemeenschappelijke deler. Ieder van ons is op zoek naar geluk. Wie gelukkig is begint geen oorlog en staat zijn buur niet naar het leven.
Door elkaar een eerlijke kans te gunnen op geluk, scheppen we ook een beter leven voor onszelf. Wie een straatkind steunt in Honduras helpt er voor te zorgen dat hij, eenmaal volwassen, niet als illegaal zijn heil zoekt in Amerika. Door de Afrikanen nu te helpen een zelfstandig bestaan op te bouwen, hoeven we in de toekomst niet meer te vrezen dat ze ons fort massaal bestormen. Dan kunnen we de poort zonder angst openzetten.
Ondertussen hobbelen Maria en Bas samen verder in zijn auto, broederlijk naast elkaar. De lange, dunne, blanke man en de korte, dikke, donkere vrouw. De eerste heeft schijnbaar alles mee; het is een man, hij is blank, in zijn kontzak glimt een credit card die het altijd doet en hij bezit een gloednieuw paspoort dat grenzen doet vervagen en deuren als bij toverslag opent. De vrouw is maar een vrouw, één met een kleurtje nog wel. Ze weet niet wat een credit card is en haar paspoort reduceert haar tot illegaal uitschot.
Maar wie van de twee heeft de meeste moed, wie heeft de langste adem? Wie o wie van hen is het sterkst? ’s Avonds, als ik tijdens het tandenpoetsen in de spiegel kijk, lees ik in mijn bedrukte gezicht het antwoord op die vraag.
Over een paar dagen, als ik aanschuif voor een vorstelijk kerstmaal, zal ik genieten zonder schuldgevoel. Het beklemmende juk van de schuld heb ik allang afgeworpen. Wel zal ik denken aan Maria en mij voor even nederig durven voelen. Dat vergt voor een jongen die rondwandelt in een maatschappij waar ego de boventoon voert al een berg moed. Vannacht, voor ik in slaap val, zal ik aan je denken Maria. En ook al is het verboden, al is het uiteindelijk geen oplossing, vannacht in bed zal ik vurig voor je duimen dat je de andere oever opnieuw haalt. Voor jou. Voor je mooie dochtertje van vier.
Geef een kind een kans, schenk de wereld balans!
De mensen van Homeless Child wensen u, vooral ook namens de kinderen in Honduras, een prettige kerst, een jaar vol liefde en
. een handjevol evenwicht?
Als u dat wenst kunt u een eenmalige of periodieke donatie storten op 212487167 ten name van Homeless Child in Eijsden, of u kunt online doneren. 100% van iedere gift wordt naar Honduras gestuurd omdat de teamleden van Homeless Child zelf alle onkosten dragen.
Wie meer wilt weten over het economisch zelfstandig maken van ontwikkelingslanden kan er “Het einde van de armoede” van Jeffrey Sachs op naslaan. (Engelse uitgave: The End of Poverty).

“Soy mojada”, ik ben nat. Buiten straalt de zon en is het krukdroog. Mijn verdwaasde blik pint zich onwillekeurig vast in Maria’s glinsterende ogen en als gehypnotiseerd staar ik haar luttele tellen aan, balancerend tussen blinde paniek en hilariteit. Haar ontwapenende grijns tovert me uit mijn koortsachtige overpeinzingen en pas dan begint het me te dagen waar zij natuurlijk op doelt.
Haar relaas over de barre tocht naar Amerika doet me denken aan een akkefietje dat ik zelf een jaar eerder bij een grensovergang had. Dat akkefietje valt in het niet bij de verschrikkingen die Maria heeft doorstaan. Tot mijn schrik ontdekte ik in 2004 tijdens een weekendverlof in El Salvador dat de plastic hoofdpagina van mijn paspoort zich had losgescheurd. De consul in de hoofdstad van het minuscule landje, dat haast nooit door Nederlanders wordt aangedaan, wist mij plechtig te melden dat zijn ontvangstruimte met regelmaat werd bestormd door paniekerige landgenoten die hetzelfde was overkomen. Een nieuw paspoort kostte drie weken en 80 euro.
Hoe had ik zo naïef kunnen zijn om ook maar een moment te denken dat mijn amateuristische geklungel met een nagelschaartje en een rolletje plakband onopgemerkt kon blijven voor de speciaal getrainde inspectiediensten van ’s werelds best beveiligde land? Sinds de septemberaanslagen komt een fruitvlieg deze natie niet eens binnen zonder doorgelicht te zijn, laat staan een heel mens.
Terwijl het orkestgezelschap van Ravel me discreet op mijn pad blijft vergezellen, volgen in Honduras, waar ik net voor het vierde jaar ben aangekomen om te werken voor het Proniño project, de gebeurtenissen elkaar in rap tempo op.
Dan stapt oom Dirk uit de vlieghal mijn gezichtsveld binnen. Ik daal van mijn dagdroom af en wandel de werkelijkheid weer in. Dirk is fotograaf. Zijn visualisatie van het Proniño project zal ons in de toekomst zeker van pas komen en bovendien hebben we elkaar in de afgelopen zeven jaar maar één keer gezien, dus er valt veel bij te praten.
Tielke, die net als ik de beelden van het tot in details georganiseerde project in Colombia dat we in juni bezocht hadden nog vers in het geheugen heeft, schrikt van het gebrek aan structuur in het Hondurese wooncentrum. Het tijdelijk verblijf waar de kinderen worden opgevangen als ze van de straat komen functioneert naar behoren en de kinderen bloeien er op, maar de situatie in het wooncentrum baart zorgen.
Ieder kind dat op straat gewoond heeft, heeft verschrikkelijk geleden. Het is vernederd door zijn vriendjes, verwaarloosd door volwassenen en uitgebraakt door de maatschappij. De pijn en de herinnering gaan nooit weg. Maar met goede begeleiding kan juist zo’n kind opbloeien tot een mooi mens.
Zachtjes dansen de tonen van Ravel mijn oren binnen en voorzichtig vermengt de dwaze onderwereld van het straatkind zich met het keurige bestaan van de Europese burgerij. Even weet ik niet waar ik ben.
Is dit het nou? Proniño heeft geen afkickcentrum dat aan de ene kant omringd wordt door vierhonderd kilometer bos en aan de andere kant door een oceaan waar het wemelt van de haaien. Dat van Proniño ligt op een gedoneerd lapje bananenplantage, vlak buiten de stad. Het hek is niet zo hoog en omdat we geen geld hebben kunnen we de gaten die er her en der in zijn geknipt niet repareren. Tja, dan loopt er wel eens een knulletje weg!



