In de vorige aflevering zien Nicky en Bas terwijl ze op bezoek zijn in een opvangcentrum van de regering tot hun schrik dat Manuel in een wanhopige ontsnappingspoging uit alle macht wegspurt van een politieman.
Het jongetje rent haast de benen onder het lijf vandaan maar het mag niet baten, hij is geen partij voor de volwassen agent. Zelf sprint ik uit alle macht achter hen aan maar mijn achterstand is te groot, en al gauw wordt duidelijk dat de arm der wet verder reikt dan ik.
Wanneer Manuel inschat dat zijn poging vruchteloos is, maakt hij een zwierige boog en komt in mijn richting aangebanjerd. Met glunderende ogen en zielsblij dat het jochie dat ik vermoord waande nu binnen luttele tellen weer mijn leven in zal stappen, sla ik mijn armen alvast verwachtingvol uiteen.
Met een stalen smoel loopt het kind langs me heen en mijn spontane geste komt me op een genante uitbrander te staan.
“Flikker op vuile blanke, ik ken je niet man, laat me alleen”.
Wat is dat nu? Zou hij me niet meer herkennen, weet hij niet meer wie ik ben? Toen hij Sanja gister ontmoette vroeg hij toch meteen naar me?
“Manuel, ik ben het, Bas, van Proniño joh, je weet wel, Bas van vorig jaar”.
“Rot op vent, laat me met rust”.
Ik staar hem verbouwereerd en gegrepen door een vlaag van verontwaardiging na terwijl Nicky hem tegemoet komt en net als ik haar armen openslaat als welkomstgebaar. Zelfde laken en pak. Ook zij wordt meedogenloos afgewezen en bedolven onder een stortvloed van straatvocabulaire.
Discreet wisselen we teleurgestelde blikken met elkaar uit en het duurt even voor we inzien dat de jongen zich waarschijnlijk verraden voelt door een complot. Sanja heeft natuurlijk contact opgenomen met Nicky en Bas, die op hun beurt de politie hebben ingeschakeld om hem te vangen en nu staan ze hem in hun vuistje gniffelend op te wachten in dat vreselijke regeringscomplex. Voor een kind wiens levensloop wordt getekend door sporen van achterdocht, wantrouwen en verlating is het een logische redenering.
Wat nu? Hoe winnen we zijn vertrouwen bliksemsnel terug? Als we niet ogenblikkelijk actie ondernemen wordt hij ingeschreven en staat officieel onder voogdij van de staat. Indien dat gebeurt gaat hij een heel andere toekomst tegemoet dan bij Proniño, volgens ons eentje met minder kansen en minder begeleiding.
Koortsachtig overpeinzen we de mogelijkheden en ondertussen wordt Manuel met de zeven andere opgepakte knapen achter slot en grendel gezet. Zijn naam is inmiddels in het grote boek genoteerd en al zijn persoonlijke spullen, een in zijn kontzak kromgebogen kammetje waar vijf tanden aan ontbreken, zo’n vier euro bedelgeld en een waterpistooltje, heeft hij moeten afstaan bij de balie.
De directeur en de juridische cheffin van het centrum komen op ons af gemarcheerd en Nicky begint meteen een vurig pleidooi waarin ze uitlegt dat we een bijzondere band hebben met Manuel en dat hij waarschijnlijk beter af is bij Proniño, omdat hij daar een aantal begeleiders en kinderen goed kent, zodat hij zeker goed zal gedijen binnen de groep.
Ondertussen loop ik onopvallend naar de tralies toe waarachter de jongens vastgezet zijn. Het is onmogelijk om een bende van acht nijdige, vernederde straatkinderen in de hand te houden en de enige oplossing is om ze in een isoleercel te laten afkoelen tot de gemoederen voldoende bedaard zijn.
“Manuel, psst, kom eens effe hier”, fluister ik indringend toe. Woede en wantrouwen stralen van zijn gezicht en vertwijfeld vraag ik me af of ik hem in een paar woorden voor me kan winnen.
“Hoewist?” probeer ik joviaal. “Gaaf man om je weer te zien! Nicky en ik waren hier op visite en wilden jou net gaan zoeken achter de kathedraal toen je hier aankwam. Sanja had verteld dat je op ons zou wachten, we waren echt wel blij!”
“Oh ja, hmmm, `t zal best”, is het enige antwoord dat me ten deel valt en uitdagend blijft hij me aanstaren.
“Manuel luister,” zeg ik. “Je kent me, ik lieg niet, dat weet je. Je vindt het hier verschrikkelijk en Nicky en ik willen dolgraag dat je bij Proniño komt wonen. De keus is aan jou maar als je liever met ons meegaat dan hier te blijven moet je kappen met zeiken en meewerken.”
Op de achtergrond hoor ik dat Nicky’s meesterlijke betoog vruchten begint af te werpen. Ook Manuel vangt voldoende flarden van het gesprek op om te beseffen dat we hem niet in de luren leggen en de woeste blik op zijn gezicht vervaagt om rap plaats te maken voor een blakende schittering.
De directeur besluit om de proef op de som te nemen en eigenhandig aan de jongen te vragen of hij met ons mee wil.
“Ja Señor, natuurlijk alstublieft als het mag. Ik met Nicky en Bas wij zijn hele goede vrienden en bij Proniño is het supertof en ik weet zeker dat ze goed voor me zorgen hoor daar! Je moet daar zelfs na elke maaltijd je tanden poetsen, nou dus ik bedoel maar!
Een ontwapenende kinderglimlach en dwingende blikken van Nicky en mij zijn te veel voor de goede man. Onder zo veel druk bezwijkt hij. De tralies worden ontgrendeld en op voorwaarde dat Nicky en ik ieder een arm stevig beetpakken, mag de jongen naar buiten.
Tot mijn grote tegenzin staat hij er op om zijn schamele bezittingen terug te gaan vorderen in het hoofdgebouw terwijl Nicky buiten afscheid neemt van het jongetje dat we in de eerste plaats waren komen bezoeken. Zelfs door mijn aanbod om hem een nieuwe kam, een groter waterpistool en hetzelfde geldbedrag te geven is Manuel niet te vermurwen, hij moet en zal zijn eigen spullen terugkrijgen. In het hoofdgebouw zit de strenge mevrouw met het grote inschrijfboek en ik ben als de dood dat ze roet in het eten gooit wanneer ze ontdekt dat we een kind aan haar voogdijschap proberen te onttrekken.
Mijn vrees wordt bewaarheid. Luidkeels begint ze te protesteren zodra ze in de gaten heeft dat de secretaresse een verfomfaaid plastic zakje met Manuels inboedel aan ons overhandigd. Juist dan stapt de directeur binnen, die van de inschrijving in het boek geen weet had, en ik maak van zijn entree gebruik om mij los te weken van de strenge mevrouw en hem nogmaals uitbundig en hartelijk te bedanken voor zijn medewerking, ondertussen Manuel discreet maar dwingend naar de uitgang slepend.
Het is nu zaak om het terrein te verlaten voor er commotie kan ontstaan over de rechtsgeldigheid van mijn actie en een verbaasde Nicky kan nog net in de auto springen terwijl ik al begin weg te rijden. Pas nadat we de bewaking zonder kleerscheuren gepasseerd zijn durf ik haar uit de doeken te doen wat zich in het hoofdgebouw heeft afgespeeld, maar gelukkig bespeur ik achter haar strenge blik een genereuze glimp van waardering.
Manuel kan zijn lol niet op, die mag naar Proniño, met zijn geliefde kam op zak. Wanneer we tol moeten betalen en ik voor de grap voorstel dat Manuel dat doet met zijn bedelcenten, grijpt hij spontaan al zijn geld en drukt het in mijn hand.
Een plechtig moment lang valt alles stil. Wanneer een straatkind je uit vrije wil zijn hele kapitaal aanbiedt, waarvoor hij gebedeld, gevochten, gestolen en soms letterlijk gebloed heeft, legt hij niet alleen zijn vertrouwen maar zijn hele lot in jouw handen. Door het geld dat hij bijeen geschraapt had om zijn enige maaltijd voor die dag mee zeker te stellen weg te geven, vraagt hij impliciet of we vanaf nu voor hem willen zorgen. Glunderend kijken Nicky en ik elkaar aan. Nicky’s mond maakt in stilte een “wauw”-beweging, maar ik zie het nog maar half want verlegen wend ik mijn hoofd af om te voorkomen dat ze de traan kan zien die zich als een meedogenloze verrader van mijn stoere houding in een ooghoek aandient.
Het geld slaan we natuurlijk af, maar later die dag vist Manuel een kettinkje tevoorschijn dat hij me schenkt. Hij blijkt het ooit van een pater te hebben gekregen.
“Hier, dit is voor jou, zo lang je dit om hebt kun je nooit dood gaan, heus waar!”
Ik koester het.
