In de vorige aflevering schreven we over een waterballonnen gevecht en eindigden we met David en Sanja, die een nieuwtje hadden over vermiste Manuel.
Vijf maanden geleden zijn ze aangekomen. Eigenlijk wilden David en Sanja een half jaar blijven maar omdat ze zo verknocht zijn geraakt aan de kinderen en elke dag ondervinden hoe belangrijk hun bijdrage is voor de ontwikkeling van het project, hebben ze besloten om een paar maanden bij te tekenen.
Sanja is net afgestudeerd in de kinderpsychologie en wordt bij Proniño meteen in het diepe geworpen. Tienjarige drugsverslaafden die het grootste deel van hun leven in een portiek of park hebben gewoond maken niet echt deel uit van het Nederlandse lespakket en ze moet alle zeilen bijzetten om haar kennis in overeenstemming te brengen met onze onwerkelijke realiteit. Gelukkig kwijt ze zich met overgave van haar taak, net als haar vriend.
Van kok in een luxueus vijfsterren hotel bij Schiphol stapte David vrolijk over naar kookles voor moeilijk opvoedbare ondeugden en geeft hij tussen de bedrijven door computerles aan de jongens in het permanente wooncentrum.
Die bewuste avond ontmoeten we elkaar op het terras van de salsabar en terwijl David naar binnenloopt om een rondje te halen, kan Sanja het geduld niet langer opbrengen en in een spraakwaterval van blije woorden besprenkelt ze ons met wat hen dit weekend is overkomen.
Ook en samen hangen we aan Sanja’s lippen. Zij en David waren net op zoek naar een telefooncel in de grote buurstad, San Pedro Sula, toen ze een verwaarloosd, stinkend jochie tegen het lijf liepen achter de kathedraal.
“Señora, señora kan ik u helpen, wat zoekt u?” de schittering in zijn ogen doet het vuil op zijn gezicht vervagen.
“We zoeken wat kleingeld om te bellen, heb jij misschien wat in ruil voor een briefje?” vraagt Sanja hem terwijl ze inschat of het berooide kind een geschikte kandidaat voor opvang is.
Daar heeft hij wel oren naar want briefjesgeld is natuurlijk veel meer waard dan muntjes en misschien laat die mevrouw hem het verschil wel houden. Het vieze kleine jongetje en de grote witte mevrouw raken aan de praat en als blijkt dat de mevrouw voor Proniño werkt begint hij geestdriftig aan haar mouw te trekken.
“Kent u Nicky? En Bas, die met net zo’n raar accent als u, kent u die ook? Zijn die er nog steeds, werken die daar nog?”
Blij verrast kijkt Sanja de jongen nieuwsgierig aan. Als hij onze namen kent, kennen wij de zijne en ze begrijpt meteen dat ze zoveel mogelijk informatie uit hem los moet zien te peuteren, zodat ze te weten komt wie hij is, waar ze hem terug kan vinden en of hij bij Proniño terecht kan.
“Reken maar dat ik Bas en Nicky ken, maar hoe heet jij eigenlijk?” is het eerste dat ze van hem horen wil.
“Manuel !”
Ogenblikkelijk weet Sanja om welke Manuel het gaat. Ik had haar in geuren en kleuren verteld over het kind in de grote buurstad dat ik kende en van wie ik vreesde dat hij vermoord was, omdat iedereen al maanden zijn spoor bijster was en de geruchten maar bleven gonzen. Het moest hem wel zijn want er was maar één vermiste Manuel die Nicky en Bas kende.
“Señora, hallo, luistert u nog?” In gedachten was Sanja afgedwaald naar de duistere gaten die een schaduw werpen op Manuels verleden en het kereltje moest letterlijk aan haar sjorren om haar terug te halen naar het nu.
“Ja Manuel, ik luister nog. Ik ken een paar mensen die heel blij zijn als ze horen dat wij elkaar zijn tegengekomen!”
Gevoegd en kleine Manuel begint een vurig pleidooi om onmiddellijk met hen mee te mogen naar El Progreso. Het kan niet, nog niet, niet nu. David en Sanja hebben een weekend vrij en kunnen zich niet identificeren als werknemers van Proniño. Zo nu en dan duiken er buitenlanders op die in organen handelen, of in hele kinderen, en ze lopen een klein risico op een onprettige confrontatie met de politie, die hen ten onrechte zou kunnen verdenken van duistere praktijken.
“Manuel, luister goed”, spreekt Sanja hem toe. “Je kunt nu niet mee maar vanavond gaan we praten met Nicky en Bas en we weten zeker dat die je morgenvroeg komen halen. Zorg dat je hier bent, achter de kathedraal.”
Via een genereuze wisseltruc toveren ze Manuels schamele muntjes om tot voldoende briefgeld voor minstens twee goede maaltijden en met pijn in het hart staren ze hem na terwijl hij weg fladdert, in zijn nopjes met het kleine fortuin en de belofte dat hem morgen een nieuw leven wacht.
Half acht, de volgende ochtend. Opgetogen rijden Nicky en ik in veel te hoog tempo over de met kuilen en gaten bezaaide weg naar San Pedro Sula. Zou hij er zijn? Voor we dat te weten komen gaan we eerst iemand opzoeken in een jeugdgevangenis waarvan de regering onlangs een gedeelte heeft getransformeerd tot opvangcentrum voor straatkinderen. Zoals met andere spaarzame initiatieven die door de broodarme en corrupte regering ondernomen worden, vinden we dat ook dit niet goed geleid wordt, maar het heeft één markant voordeel ten opzichte van Proniño. Ze beschikken over permanente verpleging.
Het eerste kind met AIDS dat door Proniño opgevangen werd kan hier veel beter begeleid worden en dankzij een programma van de Verenigde Naties kunnen hij en zo’n 2.000 andere HIV besmette kinderen in Honduras vrijwel gratis elke dag een medicijncocktail ontvangen.
Nicky kent het jongetje goed. Ze wil hem verrassen met wat stripboeken en frisdrank en het blijkt een verademing om hem te zien. Het uitgemergelde, zwaar depressieve kind dat hij bij Proniño was is een paar kilo aangekomen en een timide glimlach flirt tot twee maal toe met zijn mondhoeken als Nicky hem speels in zijn zij kietelt om te voelen hoe stevig hij wel geworden is. Dat hij nog steeds door een zuchtje wind wordt weggeblazen is een detail dat we alledrie bewust over het hoofd zien, als om de dood op gepaste afstand te houden.
Druk tumult los bij het hoofdgebouw. Een politiepatrouille komt acht kinderen afleveren die ze vers van de straat hebben geplukt en die nu, zeer tegen hun zin en zonder inspraak, in het regeringscentrum worden ondergebracht. Van een afstand slaan we het tafereel gaande. Plots breekt één van de kleinsten zich uit de groep los en zet een sprint in naar de vrijheid, die lonkend ligt te wachten aan de andere kant van het stadiongrote voetbalveld, achter een vier meter hoge muur van beton.
Ogenblikkelijk zet één van de agenten de achtervolging in, terwijl de mitrailleur die hij nonchalant om zijn schouder heeft geslagen bij elke stap waarschuwend van links naar rechts zwaait, als een herinnering aan de wrede waarheid van de straat. Pas wanneer ik mijn blik op het ventje focus ontdek ik tot mijn ontzetting dat het Manuel is die daar wegspurt van de beklemmende bescherming van de overheid.
Vol ongeloof staren Nicky en ik elkaar aan. Op hetzelfde moment veer ik op en ren als een bezetene op het tweetal af. Vurig wens ik dat ik harder kan rennen dan de politieman en ik betrap me er op dat ik stiekem hoop dat Manuel over de muur kan klauteren voor de gretig reikende arm van de wet hem bij de kladden graait.
Binnen twee weken volgt het slot van dit verhaal.
Geef een kind een kans, schenk de wereld balans !

In de vorige aflevering schreven we over de mogelijke moord op Manuel en het begin van een watergevecht tussen de Hollandse Hollywood sterren en de Hondurese boefjes. Inmiddels staan we geschaard rondom de waterkraan en ontdekken de kinderen wat we van plan zijn met al die ballonnen.
Dat laatste geloven we gezien de prijs niet helemaal, maar nadat de man ons zes levensgrote vuilniszakken cadeau heeft gedaan, zeuren we nergens meer over.
Manuel. Is hij dood of niet? Ondanks alle afleiding vertoont mijn droombeeld van een gelukkig kind met een beker melk op een lommerrijke veranda barsten. Ook mijn voornemen om me net als mijn Hondurese collega’s gewoonweg neer te leggen bij een onveranderbare situatie houdt niet volledig stand. Onveranderbaar is onaanvaardbaar, lijkt het soms.