Zo nu en dan vragen mensen ons hoe de kinderen zelf hun geschiedenis als straatkind ervaren hebben, en hoe ze het vinden om bij Proniño te wonen. Hier volgen wat uitspraken en verhalen van enkelen van hen.
Denis (denkt dat hij 13 is, heeft eerst enkele jaren overdag door de straten gezworven, vervolgens zeven maanden op straat gewoond en lijm gesnoven)
Denis is al sinds de begindagen van het project kind aan huis bij Proniño. Inmiddels leeft hij in wooncentrum La Montaña, waar hij het volgens eigen zeggen zeer naar zijn zin heeft. Denis zit in groep vijf maar weet niet precies hoe oud hij is. Veel van de kinderen hebben een onzekere geboortedatum en wie jaren in een portiek heeft gewoond draagt natuurlijk geen uittreksel uit het bevolkingsregister meer bij zich…..
“Denis, wat vind je het leukst bij Proniño?”
“Alles, maar het meest dat er bomen zijn want dat is lekker koel en je kunt er ook in klimmen”.
“En wat vind je het stomst?”
“Dat ik wel eens moet werken als ik uit school kom. De school en het huiswerk vind ik leuk maar daarna hebben we soms een taak zoals vuil opruimen of onkruid wieden en planten snoeien en daar heb ik meestal niet zo’n zin in.”
Op dit moment wonen bij Proniño geen meisjes, alhoewel de centra daar wel voor zijn ingericht. Bas vroeg aan Denis of hij het jammer vindt dat er geen meisjes zijn…
“Echt niet, nu zijn we alleen maar met jongens en dat is veel gaver want daar kun je mee voetballen en vechten en knikkeren.”
“En je vindt het ook fijn dat je oudere broer hier woont?”
Ja, want hij is de enige die ik nog bij me heb van de familie. Ik heb ook nog een moeder en een klein zusje maar die wonen heel ver weg dus daar kan ik nooit op bezoek.
Kinderen die in La Montaña wonen en die nog familie hebben mogen daar af en toe op bezoek als dat geen risico voor hen inhoudt. Wie niet meer bij familie op bezoek kan of wie helemaal geen familie meer heeft mag zo nu en dan een zondag met één van de begeleiders mee naar huis om daar te eten en te spelen.
En de begeleiders, zijn die aardig of niet?
Die zijn supertof, die zijn net als vaders en moeders en ze zorgen heel goed voor ons.
Ariel (13, heeft zes jaar op straat gewoond, ex-drugsgebruiker, met name lijmsnuiven)
Om 11 uur stond ik meestal op. Ik voelde me altijd goor want ik sliep op de stoep. Soms lag ik op karton maar mijn rug deed meestal pijn van het beton (Ariel blijkt op straat een hernia te hebben opgelopen en wordt daar in de zomer van 2004 aan geopereerd).
Als ik honger had ging ik naar de Burger King want daar gaven ze wel eens wat weg, of mensen gaven het restje dat ze over hadden van hun hamburger of patat. Toch voelde ik me daar slecht want ze sloegen me zodra ik om geld bedelde.
Als ik dan eindelijk genoeg pegels had ging ik altijd naar de koektent die me stiekem lijm verkocht. 50 Eurocent kostte een potje daar, genoeg voor twee nachten was dat.
Ik stal nooit, echt niet. Een vriendje van me wel, die is nu dood. Toen hij een fiets jatte hebben ze hem door zijn kop geschoten, van achter. Ik zat verstopt in een steegje en was superbang toen het gebeurde want ik kon het allemaal zien. Toen ben ik weggerend om de anderen te roepen. Later gingen we naar het mortuarium, de hele nacht zijn we daar gebleven, bij hem.
Op een dag heb ik Nicky ontmoet (Nicky werkt voor Proniño) en die heeft me overgehaald om met haar mee te gaan. Nu wil ik nooit meer lijm snuiven.
Ariel woont sinds anderhalf jaar bij Proniño,en na het afkicken in het opvangcentrum is hij verhuisd naar het permanente wooncentrum La Montaña. Hij gaat naar groep vier want hij heeft vijf jaar achterstand opgelopen. Maar wat is vijf jaar achterstand als je anders misschien dood was geweest? Ariel is een rustige jongen die soms verdrietig is omdat zijn moeder hem niet wil zien. Hoe moeten we hem uitleggen waarom zijn moeder hem niet zien wil als we dat zelf ook niet begrijpen? Meestal heeft hij plezier in het leven en hij gaat graag naar school.
Sebastian (9, heeft één jaar op straat gewoond, ex-drugsgebruiker, met name lijm, marihuana en crack).
Laatst op weg naar de tandarts om een rotte kies te laten trekken, hadden Bas en Sebastian een serieus grote mensengesprek over carrière maken.
B: Wat wil je later worden Sebastian?
S: Ingenieur !
B: Weet je dan wat dat is, ingenieur?
S: Ja dombo, natuurlijk weet ik dat.
B: Wat dan?
S: Nou dat is een man die andere mannen vertelt hoe ze dingen moeten bouwen.
Sebastian heeft toen hij acht was met een naald een M in zijn been getatoueerd die de rest van zijn leven te lezen zal zijn. De M is het symbool van Mara Salvatrucha, de meest beruchte bende van Centraal Amerika, die dood en verderf zaait in de regio. Als je acht bent en onder de drugs zit vind je het blijkbaar tof om een M in je been te prikken, want dan maak je meer kans om op je twaalfde lid te mogen worden, en op een dag ook een echte moord te plegen. Sinds drie maanden woont Sebastian in het opvangcentrum Las Flores en is hij samen met de begeleiders een andere strijd begonnen, zijn strijd om de lijm te vergeten en op een dag ingenieur te worden. Overigens, toen zijn kies getrokken werd heeft hij uiteraard geen traan gelaten, Sebastián is heel stoer. Alhoewel, hoe langer hij bij ons is, hoe meer hij weer een kind durft te zijn en af en toe komt hij zelfs onbeschaamd een knuffel halen…
De namen Sebastian en Ariel zijn gefingeerd. Denis wilde graag met zijn eigen naam en foto worden afgebeeld.





