“Manuel? Welnee joh, die is dood man, die hebben ze vermoord”.
Vermoord?
Dalila zit naast me in de hobbelende bus en terwijl ze het zegt zweeft een vage glimlach vol moedeloos mededogen om haar lippen. Dat de dood hier nog deel uitmaakt van het dagelijks leven wist ik inmiddels, maar kinderen van elf, die krijgen toch geen kogel door hun kop of een mes dat hun keel openrijt?
Blijkbaar wel. In Honduras worden regelmatig kinderen en jongeren vermoord. Een groot deel daarvan is meerderjarig of is lid van een bende, maar sommigen zijn net zo klein en kwetsbaar als Manuel en worden uitgeroeid door volwassenen die besloten hebben dat straatkinderen een doorn in hun oog zijn; omdat ze wel eens een appel stelen, omdat ze de armoe van het land op zo’n pijnlijke wijze zichtbaar maken, of gewoon omdat ze zo vies zijn.
Ik ontbeer de moed om haar te geloven. Terwijl de bus verder ploetert in een tempo dat veel te hoog ligt om alle kuilen en gaten in de grintweg te vermijden, waardoor mijn knieën bij elke hobbel pijnlijk in de rug van de voorbuurvrouw stoten, probeer ik Dalila’s blik opnieuw te vangen.
“Weet je het zeker Dalila? Wie heeft het je verteld, waar is het gebeurd, wie was de dader, was het met een mes of een pistool, of is hij gewoon gewurgd? Hebben ze hem ook verkracht, was hij de enige, is de dader gepakt, weet je het echt zeker?”
Arme Dalila, die nu al anderhalf jaar als begeleidster met de kinderen van Proniño werkt en een hoop ellende heeft aanschouwd, wordt overrompeld door mijn spervuur aan vragen en is elk antwoord bijster. Het gerucht blijkt van de kinderen te komen, die het op straat hebben opgevangen voor ze bij Proniño kwamen wonen. Niemand weet er het fijne van, iedereen tast in het duister, maar het gerucht blijft gonzen, het wil maar niet de wereld uit.
Ik ken Manuel nog van verleden jaar, maar zou nu willen dat ik hem uit mijn geheugen kon wissen, dat ik hem nooit ontmoet had. Het lukt niet, de herinneringen blijven als hardnekkige schimmen in de schaduw van mijn hersenpan ronddolen. Als ik tot overmaat van ramp op wat oude foto’s stuit, veranderen die schimmen in scherpe beelden.
Nicky kan me vast meer vertellen! Zij schuimt al twee jaar lang alle straten en steegjes af in de meest gore buurten en er is geen straatkind dat ze niet kent, of andersom. Vol vrees stel ik haar dezelfde vraag en voor ze antwoord geeft kijkt ze me weemoedig aan. De vermoorde Manuel is volgens haar een andere jongen, een knaap van een jaar of zestien, en de blik in haar ogen doet me denken dat ze hem beter gekend heeft dan ze nu wellicht zou wensen.
Ook Nicky heeft echter geen idee waar “mijn” Manuel uithangt; ze heeft hem al maandenlang niet op straat gesignaleerd en niet in de opvanghuizen van de grote buurstad. Iedereen is zijn spoor bijster.
Carlos, de directeur van het wooncentrum, weet misschien raad en kordaat stap ik op hem af. Maar ook hij kan me niet verder helpen. Hij doet de verhalen van de kinderen af als roddels, maar wat is een roddel voor houvast als het gaat om de moord op een kind? Francisco, de nachtbegeleider, vertelt me vol overtuiging dat het jochie is geadopteerd door een liefdevolle meneer die gestudeerd heeft en die nu goed voor hem zorgt.
Die laatste versie klinkt me het mooist in de oren en daaraan klamp ik mij onbewust vast. Telkens als ik aan het jongetje moet denken stel ik me hem voor op de lommerrijke veranda van een stadsvilla met een beker melk, druk doende om huiswerk te maken en zijn leerachterstand in te halen.
Waarschijnlijk is mijn fantasie beduidend romantischer dan de waarheid. Er zijn hier bar weinig heren die gestudeerd hebben en liefdevol in hun eentje jochies adopteren, maar wanneer de onzekerheid ondraaglijk is wordt het zo verlokkelijk om haar achter de zachte sluier van een droombeeld te verhullen.
Overheidsinstanties in Honduras beschikken nou eenmaal niet over de middelen om dossiers op te bouwen van kinderen en bij te houden waar welk kind verblijft. Als een kind verdwijnt wordt er geen landelijke zoekactie georganiseerd want er verdwijnen iedere dag tientallen kinderen. Waar begint de speurtocht? Het doet pas pijn indien het kind een naam heeft en een gezicht, wanneer zijn glimlach op je netvlies gegrift staat en zijn stem in je geheugen telkens datzelfde vrolijke zinnetje blijft herhalen, als een dolgedraaide lp die je niet af kunt zetten omdat je niet bij het knopje in je hoofd kunt.
In mijn verwendheid ben ik verleerd om in vrede te kunnen omgaan met een onprettige situatie en ik benijd de Hondurezen, die op zo’n natuurlijke wijze in staat zijn om het leven te accepteren zoals het zich aandient. Het geluk en het verdriet.
Monter besluit ik om mij er ook bij neer te leggen en al gauw ga ik weer op in alle rampjes en succesjes die hier de gemoederen bezighouden. We zijn druk. Dankzij onze donateurs en met de hulp van PLAN Nederland en NCDO hebben we voldoende geld ingezameld om een computerzaaltje en een extra klaslokaal te bouwen. De kinderen verdienen veel aandacht en willen altijd voetballen, stoeien, knikkeren, of even een praatje houden. Dan zijn er de vrienden, de vrijwilligers en de bestuursleden van Homeless Child, die allemaal de verre reis uit Nederland hebben gemaakt om een steentje bij te komen dragen.
Twee van hen zijn Sander en Wessel. Sander heeft besloten om op eigen houtje geld en speeltuinmateriaal bij elkaar te sprokkelen, zodat de kinderen vanaf volgend jaar volop kunnen ravotten op schommels, klimrekken, een kabelbaan en ander speeltuig van Nederlandse makelij.
Ook zij worden begeesterd door het enthousiasme van de kinderen, die blanke mannen ongeacht hun postuur, leeftijd, uiterlijk of conditie altijd aanzien voor onverslaanbare Hollywood helden. En zoals ieder kind weet gaan filmsterren nooit dood, dus die kun je naar hartelust gebruiken als hobbelpaard, of als boksbal of klimpaal.
Sander krijgt gelukkig een geniale ingeving vóór hij ten onder gaat aan alle kindergeweld.
“Luister Bas, we vullen stiekem tweehonderd ballonnetjes met water bij een discreet kraantje achter het gebouw en die verdelen we onder twee groepen zodat er een spontane wateroorlog uitbreekt! Wij vormen de volwassen groep, en de kindergroep gaat gewoon ten onder.”
Ogenblikkelijk ben ik in voor het idee en snel naar de ballonnenboer, die in zijn handen wrijft van pret. De gemiddelde verjaardag doet hier zo’n vijf of zes ballonnen, dus tweehonderd is een ongekende kans op een goede dagomzet.
Al gauw blijkt echter dat Sanders snode plannen niet helemaal uitwerken zoals we dat voor ogen hadden. Wessel, hij en ik hebben twee Nederlandse vrijwilligsters deelgenoot gemaakt van de intrige, zodat we gevijven stand kunnen houden tegen de meute jongelingen.
Binnen de kortste keren ruiken de boeven onraad en het discrete kraantje van zojuist ontpopt zich nu tot een verzamelplaats voor rebelse hangjongeren.
In de volgende aflevering (binnen twee weken) volgt de afloop van het ballonnengevecht en wordt een tipje van de sluier gelicht over het lot van Manuel.
Geef een kind een kans, schenk de wereld balans !

Denis is al sinds de begindagen van het project kind aan huis bij Proniño. Inmiddels leeft hij in wooncentrum La Montaña, waar hij het volgens eigen zeggen zeer naar zijn zin heeft. Denis zit in groep vijf maar weet niet precies hoe oud hij is. Veel van de kinderen hebben een onzekere geboortedatum en wie jaren in een portiek heeft gewoond draagt natuurlijk geen uittreksel uit het bevolkingsregister meer bij zich…..
Om 11 uur stond ik meestal op. Ik voelde me altijd goor want ik sliep op de stoep. Soms lag ik op karton maar mijn rug deed meestal pijn van het beton (Ariel blijkt op straat een hernia te hebben opgelopen en wordt daar in de zomer van 2004 aan geopereerd).
Laatst op weg naar de tandarts om een rotte kies te laten trekken, hadden Bas en Sebastian een serieus grote mensengesprek over carrière maken.