Archive for 2004

Nooit meer dood!

10 september 2004, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20040601In de vorige aflevering zien Nicky en Bas terwijl ze op bezoek zijn in een opvangcentrum van de regering tot hun schrik dat Manuel in een wanhopige ontsnappingspoging uit alle macht wegspurt van een politieman.

Het jongetje rent haast de benen onder het lijf vandaan maar het mag niet baten, hij is geen partij voor de volwassen agent. Zelf sprint ik uit alle macht achter hen aan maar mijn achterstand is te groot, en al gauw wordt duidelijk dat de arm der wet verder reikt dan ik.

Wanneer Manuel inschat dat zijn poging vruchteloos is, maakt hij een zwierige boog en komt in mijn richting aangebanjerd. Met glunderende ogen en zielsblij dat het jochie dat ik vermoord waande nu binnen luttele tellen weer mijn leven in zal stappen, sla ik mijn armen alvast verwachtingvol uiteen.

Met een stalen smoel loopt het kind langs me heen en mijn spontane geste komt me op een genante uitbrander te staan.

“Flikker op vuile blanke, ik ken je niet man, laat me alleen”.

Wat is dat nu? Zou hij me niet meer herkennen, weet hij niet meer wie ik ben? Toen hij Sanja gister ontmoette vroeg hij toch meteen naar me?

“Manuel, ik ben het, Bas, van Proniño joh, je weet wel, Bas van vorig jaar”.

“Rot op vent, laat me met rust”.

Ik staar hem verbouwereerd en gegrepen door een vlaag van verontwaardiging na terwijl Nicky hem tegemoet komt en net als ik haar armen openslaat als welkomstgebaar. Zelfde laken en pak. Ook zij wordt meedogenloos afgewezen en bedolven onder een stortvloed van straatvocabulaire.

Discreet wisselen we teleurgestelde blikken met elkaar uit en het duurt even voor we inzien dat de jongen zich waarschijnlijk verraden voelt door een complot. Sanja heeft natuurlijk contact opgenomen met Nicky en Bas, die op hun beurt de politie hebben ingeschakeld om hem te vangen en nu staan ze hem in hun vuistje gniffelend op te wachten in dat vreselijke regeringscomplex. Voor een kind wiens levensloop wordt getekend door sporen van achterdocht, wantrouwen en verlating is het een logische redenering.

Wat nu? Hoe winnen we zijn vertrouwen bliksemsnel terug? Als we niet ogenblikkelijk actie ondernemen wordt hij ingeschreven en staat officieel onder voogdij van de staat. Indien dat gebeurt gaat hij een heel andere toekomst tegemoet dan bij Proniño, volgens ons eentje met minder kansen en minder begeleiding.

Koortsachtig overpeinzen we de mogelijkheden en ondertussen wordt Manuel met de zeven andere opgepakte knapen achter slot en grendel gezet. Zijn naam is inmiddels in het grote boek genoteerd en al zijn persoonlijke spullen, een in zijn kontzak kromgebogen kammetje waar vijf tanden aan ontbreken, zo’n vier euro bedelgeld en een waterpistooltje, heeft hij moeten afstaan bij de balie.

De directeur en de juridische cheffin van het centrum komen op ons af gemarcheerd en Nicky begint meteen een vurig pleidooi waarin ze uitlegt dat we een bijzondere band hebben met Manuel en dat hij waarschijnlijk beter af is bij Proniño, omdat hij daar een aantal begeleiders en kinderen goed kent, zodat hij zeker goed zal gedijen binnen de groep.

Ondertussen loop ik onopvallend naar de tralies toe waarachter de jongens vastgezet zijn. Het is onmogelijk om een bende van acht nijdige, vernederde straatkinderen in de hand te houden en de enige oplossing is om ze in een isoleercel te laten afkoelen tot de gemoederen voldoende bedaard zijn.

20040602“Manuel, psst, kom eens effe hier”, fluister ik indringend toe. Woede en wantrouwen stralen van zijn gezicht en vertwijfeld vraag ik me af of ik hem in een paar woorden voor me kan winnen.

“Hoewist?” probeer ik joviaal. “Gaaf man om je weer te zien! Nicky en ik waren hier op visite en wilden jou net gaan zoeken achter de kathedraal toen je hier aankwam. Sanja had verteld dat je op ons zou wachten, we waren echt wel blij!”

“Oh ja, hmmm, `t zal best”, is het enige antwoord dat me ten deel valt en uitdagend blijft hij me aanstaren.

“Manuel luister,” zeg ik. “Je kent me, ik lieg niet, dat weet je. Je vindt het hier verschrikkelijk en Nicky en ik willen dolgraag dat je bij Proniño komt wonen. De keus is aan jou maar als je liever met ons meegaat dan hier te blijven moet je kappen met zeiken en meewerken.”

Op de achtergrond hoor ik dat Nicky’s meesterlijke betoog vruchten begint af te werpen. Ook Manuel vangt voldoende flarden van het gesprek op om te beseffen dat we hem niet in de luren leggen en de woeste blik op zijn gezicht vervaagt om rap plaats te maken voor een blakende schittering.

De directeur besluit om de proef op de som te nemen en eigenhandig aan de jongen te vragen of hij met ons mee wil.

“Ja Señor, natuurlijk alstublieft als het mag. Ik met Nicky en Bas wij zijn hele goede vrienden en bij Proniño is het supertof en ik weet zeker dat ze goed voor me zorgen hoor daar! Je moet daar zelfs na elke maaltijd je tanden poetsen, nou dus ik bedoel maar!

Een ontwapenende kinderglimlach en dwingende blikken van Nicky en mij zijn te veel voor de goede man. Onder zo veel druk bezwijkt hij. De tralies worden ontgrendeld en op voorwaarde dat Nicky en ik ieder een arm stevig beetpakken, mag de jongen naar buiten.

Tot mijn grote tegenzin staat hij er op om zijn schamele bezittingen terug te gaan vorderen in het hoofdgebouw terwijl Nicky buiten afscheid neemt van het jongetje dat we in de eerste plaats waren komen bezoeken. Zelfs door mijn aanbod om hem een nieuwe kam, een groter waterpistool en hetzelfde geldbedrag te geven is Manuel niet te vermurwen, hij moet en zal zijn eigen spullen terugkrijgen. In het hoofdgebouw zit de strenge mevrouw met het grote inschrijfboek en ik ben als de dood dat ze roet in het eten gooit wanneer ze ontdekt dat we een kind aan haar voogdijschap proberen te onttrekken.

Mijn vrees wordt bewaarheid. Luidkeels begint ze te protesteren zodra ze in de gaten heeft dat de secretaresse een verfomfaaid plastic zakje met Manuels inboedel aan ons overhandigd. Juist dan stapt de directeur binnen, die van de inschrijving in het boek geen weet had, en ik maak van zijn entree gebruik om mij los te weken van de strenge mevrouw en hem nogmaals uitbundig en hartelijk te bedanken voor zijn medewerking, ondertussen Manuel discreet maar dwingend naar de uitgang slepend.

Het is nu zaak om het terrein te verlaten voor er commotie kan ontstaan over de rechtsgeldigheid van mijn actie en een verbaasde Nicky kan nog net in de auto springen terwijl ik al begin weg te rijden. Pas nadat we de bewaking zonder kleerscheuren gepasseerd zijn durf ik haar uit de doeken te doen wat zich in het hoofdgebouw heeft afgespeeld, maar gelukkig bespeur ik achter haar strenge blik een genereuze glimp van waardering.

Manuel kan zijn lol niet op, die mag naar Proniño, met zijn geliefde kam op zak. Wanneer we tol moeten betalen en ik voor de grap voorstel dat Manuel dat doet met zijn bedelcenten, grijpt hij spontaan al zijn geld en drukt het in mijn hand.

20040603Een plechtig moment lang valt alles stil. Wanneer een straatkind je uit vrije wil zijn hele kapitaal aanbiedt, waarvoor hij gebedeld, gevochten, gestolen en soms letterlijk gebloed heeft, legt hij niet alleen zijn vertrouwen maar zijn hele lot in jouw handen. Door het geld dat hij bijeen geschraapt had om zijn enige maaltijd voor die dag mee zeker te stellen weg te geven, vraagt hij impliciet of we vanaf nu voor hem willen zorgen. Glunderend kijken Nicky en ik elkaar aan. Nicky’s mond maakt in stilte een “wauw”-beweging, maar ik zie het nog maar half want verlegen wend ik mijn hoofd af om te voorkomen dat ze de traan kan zien die zich als een meedogenloze verrader van mijn stoere houding in een ooghoek aandient.

Het geld slaan we natuurlijk af, maar later die dag vist Manuel een kettinkje tevoorschijn dat hij me schenkt. Hij blijkt het ooit van een pater te hebben gekregen.

“Hier, dit is voor jou, zo lang je dit om hebt kun je nooit dood gaan, heus waar!”

Ik koester het.

Een onverwachte ontmoeting

26 augustus 2004, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20040501In de vorige aflevering schreven we over een waterballonnen gevecht en eindigden we met David en Sanja, die een nieuwtje hadden over vermiste Manuel.

Vijf maanden geleden zijn ze aangekomen. Eigenlijk wilden David en Sanja een half jaar blijven maar omdat ze zo verknocht zijn geraakt aan de kinderen en elke dag ondervinden hoe belangrijk hun bijdrage is voor de ontwikkeling van het project, hebben ze besloten om een paar maanden bij te tekenen.

Sanja is net afgestudeerd in de kinderpsychologie en wordt bij Proniño meteen in het diepe geworpen. Tienjarige drugsverslaafden die het grootste deel van hun leven in een portiek of park hebben gewoond maken niet echt deel uit van het Nederlandse lespakket en ze moet alle zeilen bijzetten om haar kennis in overeenstemming te brengen met onze onwerkelijke realiteit. Gelukkig kwijt ze zich met overgave van haar taak, net als haar vriend.

Van kok in een luxueus vijfsterren hotel bij Schiphol stapte David vrolijk over naar kookles voor moeilijk opvoedbare ondeugden en geeft hij tussen de bedrijven door computerles aan de jongens in het permanente wooncentrum.

Die bewuste avond ontmoeten we elkaar op het terras van de salsabar en terwijl David naar binnenloopt om een rondje te halen, kan Sanja het geduld niet langer opbrengen en in een spraakwaterval van blije woorden besprenkelt ze ons met wat hen dit weekend is overkomen.

Ook en samen hangen we aan Sanja’s lippen. Zij en David waren net op zoek naar een telefooncel in de grote buurstad, San Pedro Sula, toen ze een verwaarloosd, stinkend jochie tegen het lijf liepen achter de kathedraal.

“Señora, señora kan ik u helpen, wat zoekt u?” de schittering in zijn ogen doet het vuil op zijn gezicht vervagen.

“We zoeken wat kleingeld om te bellen, heb jij misschien wat in ruil voor een briefje?” vraagt Sanja hem terwijl ze inschat of het berooide kind een geschikte kandidaat voor opvang is.

Daar heeft hij wel oren naar want briefjesgeld is natuurlijk veel meer waard dan muntjes en misschien laat die mevrouw hem het verschil wel houden. Het vieze kleine jongetje en de grote witte mevrouw raken aan de praat en als blijkt dat de mevrouw voor Proniño werkt begint hij geestdriftig aan haar mouw te trekken.

“Kent u Nicky? En Bas, die met net zo’n raar accent als u, kent u die ook? Zijn die er nog steeds, werken die daar nog?”

Blij verrast kijkt Sanja de jongen nieuwsgierig aan. Als hij onze namen kent, kennen wij de zijne en ze begrijpt meteen dat ze zoveel mogelijk informatie uit hem los moet zien te peuteren, zodat ze te weten komt wie hij is, waar ze hem terug kan vinden en of hij bij Proniño terecht kan.

“Reken maar dat ik Bas en Nicky ken, maar hoe heet jij eigenlijk?” is het eerste dat ze van hem horen wil.

“Manuel !”

Ogenblikkelijk weet Sanja om welke Manuel het gaat. Ik had haar in geuren en kleuren verteld over het kind in de grote buurstad dat ik kende en van wie ik vreesde dat hij vermoord was, omdat iedereen al maanden zijn spoor bijster was en de geruchten maar bleven gonzen. Het moest hem wel zijn want er was maar één vermiste Manuel die Nicky en Bas kende.

“Señora, hallo, luistert u nog?” In gedachten was Sanja afgedwaald naar de duistere gaten die een schaduw werpen op Manuels verleden en het kereltje moest letterlijk aan haar sjorren om haar terug te halen naar het nu.

20040502“Ja Manuel, ik luister nog. Ik ken een paar mensen die heel blij zijn als ze horen dat wij elkaar zijn tegengekomen!”

Gevoegd en kleine Manuel begint een vurig pleidooi om onmiddellijk met hen mee te mogen naar El Progreso. Het kan niet, nog niet, niet nu. David en Sanja hebben een weekend vrij en kunnen zich niet identificeren als werknemers van Proniño. Zo nu en dan duiken er buitenlanders op die in organen handelen, of in hele kinderen, en ze lopen een klein risico op een onprettige confrontatie met de politie, die hen ten onrechte zou kunnen verdenken van duistere praktijken.

“Manuel, luister goed”, spreekt Sanja hem toe. “Je kunt nu niet mee maar vanavond gaan we praten met Nicky en Bas en we weten zeker dat die je morgenvroeg komen halen. Zorg dat je hier bent, achter de kathedraal.”

Via een genereuze wisseltruc toveren ze Manuels schamele muntjes om tot voldoende briefgeld voor minstens twee goede maaltijden en met pijn in het hart staren ze hem na terwijl hij weg fladdert, in zijn nopjes met het kleine fortuin en de belofte dat hem morgen een nieuw leven wacht.

Half acht, de volgende ochtend. Opgetogen rijden Nicky en ik in veel te hoog tempo over de met kuilen en gaten bezaaide weg naar San Pedro Sula. Zou hij er zijn? Voor we dat te weten komen gaan we eerst iemand opzoeken in een jeugdgevangenis waarvan de regering onlangs een gedeelte heeft getransformeerd tot opvangcentrum voor straatkinderen. Zoals met andere spaarzame initiatieven die door de broodarme en corrupte regering ondernomen worden, vinden we dat ook dit niet goed geleid wordt, maar het heeft één markant voordeel ten opzichte van Proniño. Ze beschikken over permanente verpleging.

Het eerste kind met AIDS dat door Proniño opgevangen werd kan hier veel beter begeleid worden en dankzij een programma van de Verenigde Naties kunnen hij en zo’n 2.000 andere HIV besmette kinderen in Honduras vrijwel gratis elke dag een medicijncocktail ontvangen.

Nicky kent het jongetje goed. Ze wil hem verrassen met wat stripboeken en frisdrank en het blijkt een verademing om hem te zien. Het uitgemergelde, zwaar depressieve kind dat hij bij Proniño was is een paar kilo aangekomen en een timide glimlach flirt tot twee maal toe met zijn mondhoeken als Nicky hem speels in zijn zij kietelt om te voelen hoe stevig hij wel geworden is. Dat hij nog steeds door een zuchtje wind wordt weggeblazen is een detail dat we alledrie bewust over het hoofd zien, als om de dood op gepaste afstand te houden.

20040503Druk tumult los bij het hoofdgebouw. Een politiepatrouille komt acht kinderen afleveren die ze vers van de straat hebben geplukt en die nu, zeer tegen hun zin en zonder inspraak, in het regeringscentrum worden ondergebracht. Van een afstand slaan we het tafereel gaande. Plots breekt één van de kleinsten zich uit de groep los en zet een sprint in naar de vrijheid, die lonkend ligt te wachten aan de andere kant van het stadiongrote voetbalveld, achter een vier meter hoge muur van beton.

Ogenblikkelijk zet één van de agenten de achtervolging in, terwijl de mitrailleur die hij nonchalant om zijn schouder heeft geslagen bij elke stap waarschuwend van links naar rechts zwaait, als een herinnering aan de wrede waarheid van de straat. Pas wanneer ik mijn blik op het ventje focus ontdek ik tot mijn ontzetting dat het Manuel is die daar wegspurt van de beklemmende bescherming van de overheid.

Vol ongeloof staren Nicky en ik elkaar aan. Op hetzelfde moment veer ik op en ren als een bezetene op het tweetal af. Vurig wens ik dat ik harder kan rennen dan de politieman en ik betrap me er op dat ik stiekem hoop dat Manuel over de muur kan klauteren voor de gretig reikende arm van de wet hem bij de kladden graait.

Binnen twee weken volgt het slot van dit verhaal.

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans !

Honduras – Nederland 2 – 0

10 augustus 2004, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20040401In de vorige aflevering schreven we over de mogelijke moord op Manuel en het begin van een watergevecht tussen de Hollandse Hollywood sterren en de Hondurese boefjes. Inmiddels staan we geschaard rondom de waterkraan en ontdekken de kinderen wat we van plan zijn met al die ballonnen.

“Wat zijn jullie aan het doen?” vraagt Oscar van acht met een gezonde dosis nieuwsgierigheid.

“Ballonnen vullen”, mompel ik achteloos alsof ik dat elke dag een uurtje doe.

Pogingen tot geheimhouding hebben echter een averechts effect. Het gonst van de geruchten in het hele opvangcentrum en iedereen wil er het fijne van weten. We worden overrompeld door vragen.

“Waarom vullen jullie die ballonnen dan?” wil Pedro graag weten.

“Om ze te lanceren”.

“Waarheen?”

“Mmmmm, nou gewoon, op jouw hoofd bijvoorbeeld, of op je benen. We hebben hier tweehonderd ballonnen waarvan er minstens tien voor jou bedoeld zijn en de rest is om je vriendjes nat te gooien”.

Pedro en Co. glunderen van plezier bij de gedachte aan een wateroorlog, maar houden er afwijkende ideeën op na over de precieze ballonverdeling.

Het is niet de eerste maal dat ik me vergis in de vastberaden verbetenheid van deze kinderen. De overlevingsinstincten die ze op straat hebben ontwikkeld komen in volle kracht naar boven en binnen de kortste keren zijn we naar de zijlijn gebonjourd. Sander mag nog net de kraan open en dicht draaien, maar de emmers met gevulde ballonnen zijn in beheer van het jeugdteam.

Minuten later en drijfnat druipen we af. De vernedering was diep en we schamen ons geenszins voor het feit dat we als volgroeide mannen een sluwe wraakactie op touw willen zetten om revanche te nemen op een stelletje koters. Tenslotte is vijf tegen vijfentwintig een oneerlijke minderheid en betreft het hier niet kinderen, maar ontketende kleine monsters, houden we onszelf vergoelijkend voor.

Ditmaal besluiten we om het professioneler en vooral ook geniepiger aan te pakken. Op naar de ballonnenboer.

“Vijfhonderd ballonnen señor? Geen probleem, wilt u er een zakje om heen of gaan ze zo mee?”

“En vier Spiderman maskers? Zeker señor, die zijn in de aanbieding vandaag”.

20040402Dat laatste geloven we gezien de prijs niet helemaal, maar nadat de man ons zes levensgrote vuilniszakken cadeau heeft gedaan, zeuren we nergens meer over.

Zou hij denken dat we gek zijn? Spiderman maskers, vuilniszakken en een grotere berg ballonnen dan het stadsbestuur jaarlijks opkoopt om de dag van onafhankelijkheid te vieren. Wat maak je als ballonnenboer op uit zo’n aanschaf?

Ach, het doet er niet zo toe wat de goede man denkt. Gewichtiger is dat de we de nederlaag van de eerste ronde om weten te zetten in een klinkende overwinning en kordaat gaan we aan de slag.

Christi, een hardwerkende vrouw die vlak voor ze in Nederland een eigen bedrijfje op gaat zetten per sé zes weken wilde komen helpen in een voedingscentrum voor ondervoedde baby’s, is ook van de partij.

Het hotel waar Sander en Wessel logeren wordt omgetoverd tot onze werkplaats. Plaza Victoria, zoals het lieflijk wordt genoemd, ligt op één blok van mijn appartement en ik ben er kind aan huis. Soms ga ik er zwemmen met een paar van de jongens die bij geen enkel familielid terecht kunnen maar op zondag toch af en toe het wooncentrum uitmogen. Het kamermeisje doet iedere week voor twee euro mijn was in een enorme machine van Amerikaanse makelij uit de jaren zestig en de dochter van de eigenaar is tandarts van onze kinderen.

Zijn zoon is presentator bij de tv studio waar ik met een vriendin twee weken lang de deur heb platgelopen toen we voor Homeless Child een documentaire konden filmen en de eigenaar zelf belt op samenzweerderige toon voor me met de burgemeester als ik onterecht een wielklem heb gekregen of iets anders moet regelen dat in een land als Honduras via de normale wegen niet voor elkaar te boksen is.

We richten de wasruimte van Plaza Victoria in als hoofdkwartier van onze oorlogsvoorbereidingen. Er zijn twee waterkranen, voldoende ruimte om de gevulde ballonnen in vuilniszakken te bewaren, en mijn Japanse autootje met laadbak kan voor de deur geparkeerd worden.

De strategie is simpel: Sander rijdt onder luid gejoel het opvangcentrum binnen. Ondertussen hangt Wessel dreigend uit het raam met zijn Spiderman gezicht voor, terwijl Christi en ik, eveneens opgetooid met Spiderman, op de laadbak van het Japannertje staan om in volle vaart de eerste ballonnen te werpen.

We vormen nog steeds een kleine minderheid, maar onze winst schuilt in het verrassingseffect. De kinderen zijn idolaat van Spiderman en de maskers zijn bedoeld om hen op het verkeerde been te zetten. Tijdens het ballonnen gooien schreeuwen Christi en ik bovendien om het hardst “Holanda, Holanda”, zodat ze beseffen dat de vijand uit roemruchte streken komt.

Het mag echter allemaal niet baten. Sander heeft het Japannertje nog niet tot stilstand gebracht of de doerakken hebben al bezit genomen van de laadbak. Als wolven storten ze zich op de massa wiegende ballonnen, daarbij Christi en mij behendig in een hoekje manoeuvrerend.

Opnieuw ontkomen we niet aan de slachtofferrol. We zijn geen partij voor vijfentwintig ravottende batraven, temeer omdat we ons als volwassenen niet met dezelfde passie en toewijding in de strijd kunnen werpen als onze jonge tegenstanders.

Achterliggende gedachte is er natuurlijk niet eentje van conflict maar eerder van saamhorigheid en respect. Voor kinderen die op straat met minachting of met complete onverschilligheid behandeld werden door de volwassenen om hen heen, is het een verademing om op legitieme en ludieke wijze grote mensen te mogen bekogelen en na afloop vol vuur met hen na te praten over de beste worp, de handigste gooitactiek en de heldhaftigste actie.

Dat Nederland voor zo’n mooi doel met 2 – 0 van Honduras verliest, nemen we graag op de koop toe.

20040403Manuel. Is hij dood of niet? Ondanks alle afleiding vertoont mijn droombeeld van een gelukkig kind met een beker melk op een lommerrijke veranda barsten. Ook mijn voornemen om me net als mijn Hondurese collega’s gewoonweg neer te leggen bij een onveranderbare situatie houdt niet volledig stand. Onveranderbaar is onaanvaardbaar, lijkt het soms.

Op een avond, weken later, ontmoet ik David en Sanja op het terras van de plaatselijke salsabar. David geeft de kinderen kook- en computerles en zijn vriendin Sanja is de psychologe. Opgetogen brengen ze mij het grootste nieuwtje van de zomer en die nacht lig ik peinzend in mijn bed naar de scheurtjes in het plafond te staren. Zou het écht waar zijn wat ze vertelden? Of berustte het allemaal op een ongelukkige vergissing?

In het vervolg van dit avontuur (binnen twee weken) kunt u lezen over een spoor dat wellicht naar Manuel leidt.

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans!

Een schokkende busreis

23 juli 2004, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20040301“Manuel? Welnee joh, die is dood man, die hebben ze vermoord”.

Vermoord?

Dalila zit naast me in de hobbelende bus en terwijl ze het zegt zweeft een vage glimlach vol moedeloos mededogen om haar lippen. Dat de dood hier nog deel uitmaakt van het dagelijks leven wist ik inmiddels, maar kinderen van elf, die krijgen toch geen kogel door hun kop of een mes dat hun keel openrijt?

Blijkbaar wel. In Honduras worden regelmatig kinderen en jongeren vermoord. Een groot deel daarvan is meerderjarig of is lid van een bende, maar sommigen zijn net zo klein en kwetsbaar als Manuel en worden uitgeroeid door volwassenen die besloten hebben dat straatkinderen een doorn in hun oog zijn; omdat ze wel eens een appel stelen, omdat ze de armoe van het land op zo’n pijnlijke wijze zichtbaar maken, of gewoon omdat ze zo vies zijn.

Ik ontbeer de moed om haar te geloven. Terwijl de bus verder ploetert in een tempo dat veel te hoog ligt om alle kuilen en gaten in de grintweg te vermijden, waardoor mijn knieën bij elke hobbel pijnlijk in de rug van de voorbuurvrouw stoten, probeer ik Dalila’s blik opnieuw te vangen.

“Weet je het zeker Dalila? Wie heeft het je verteld, waar is het gebeurd, wie was de dader, was het met een mes of een pistool, of is hij gewoon gewurgd? Hebben ze hem ook verkracht, was hij de enige, is de dader gepakt, weet je het echt zeker?”

Arme Dalila, die nu al anderhalf jaar als begeleidster met de kinderen van Proniño werkt en een hoop ellende heeft aanschouwd, wordt overrompeld door mijn spervuur aan vragen en is elk antwoord bijster. Het gerucht blijkt van de kinderen te komen, die het op straat hebben opgevangen voor ze bij Proniño kwamen wonen. Niemand weet er het fijne van, iedereen tast in het duister, maar het gerucht blijft gonzen, het wil maar niet de wereld uit.

Ik ken Manuel nog van verleden jaar, maar zou nu willen dat ik hem uit mijn geheugen kon wissen, dat ik hem nooit ontmoet had. Het lukt niet, de herinneringen blijven als hardnekkige schimmen in de schaduw van mijn hersenpan ronddolen. Als ik tot overmaat van ramp op wat oude foto’s stuit, veranderen die schimmen in scherpe beelden.

Nicky kan me vast meer vertellen! Zij schuimt al twee jaar lang alle straten en steegjes af in de meest gore buurten en er is geen straatkind dat ze niet kent, of andersom. Vol vrees stel ik haar dezelfde vraag en voor ze antwoord geeft kijkt ze me weemoedig aan. De vermoorde Manuel is volgens haar een andere jongen, een knaap van een jaar of zestien, en de blik in haar ogen doet me denken dat ze hem beter gekend heeft dan ze nu wellicht zou wensen.

Ook Nicky heeft echter geen idee waar “mijn” Manuel uithangt; ze heeft hem al maandenlang niet op straat gesignaleerd en niet in de opvanghuizen van de grote buurstad. Iedereen is zijn spoor bijster.

Carlos, de directeur van het wooncentrum, weet misschien raad en kordaat stap ik op hem af. Maar ook hij kan me niet verder helpen. Hij doet de verhalen van de kinderen af als roddels, maar wat is een roddel voor houvast als het gaat om de moord op een kind? Francisco, de nachtbegeleider, vertelt me vol overtuiging dat het jochie is geadopteerd door een liefdevolle meneer die gestudeerd heeft en die nu goed voor hem zorgt.

20040302Die laatste versie klinkt me het mooist in de oren en daaraan klamp ik mij onbewust vast. Telkens als ik aan het jongetje moet denken stel ik me hem voor op de lommerrijke veranda van een stadsvilla met een beker melk, druk doende om huiswerk te maken en zijn leerachterstand in te halen.

Waarschijnlijk is mijn fantasie beduidend romantischer dan de waarheid. Er zijn hier bar weinig heren die gestudeerd hebben en liefdevol in hun eentje jochies adopteren, maar wanneer de onzekerheid ondraaglijk is wordt het zo verlokkelijk om haar achter de zachte sluier van een droombeeld te verhullen.

Overheidsinstanties in Honduras beschikken nou eenmaal niet over de middelen om dossiers op te bouwen van kinderen en bij te houden waar welk kind verblijft. Als een kind verdwijnt wordt er geen landelijke zoekactie georganiseerd want er verdwijnen iedere dag tientallen kinderen. Waar begint de speurtocht? Het doet pas pijn indien het kind een naam heeft en een gezicht, wanneer zijn glimlach op je netvlies gegrift staat en zijn stem in je geheugen telkens datzelfde vrolijke zinnetje blijft herhalen, als een dolgedraaide lp die je niet af kunt zetten omdat je niet bij het knopje in je hoofd kunt.

In mijn verwendheid ben ik verleerd om in vrede te kunnen omgaan met een onprettige situatie en ik benijd de Hondurezen, die op zo’n natuurlijke wijze in staat zijn om het leven te accepteren zoals het zich aandient. Het geluk en het verdriet.

Monter besluit ik om mij er ook bij neer te leggen en al gauw ga ik weer op in alle rampjes en succesjes die hier de gemoederen bezighouden. We zijn druk. Dankzij onze donateurs en met de hulp van PLAN Nederland en NCDO hebben we voldoende geld ingezameld om een computerzaaltje en een extra klaslokaal te bouwen. De kinderen verdienen veel aandacht en willen altijd voetballen, stoeien, knikkeren, of even een praatje houden. Dan zijn er de vrienden, de vrijwilligers en de bestuursleden van Homeless Child, die allemaal de verre reis uit Nederland hebben gemaakt om een steentje bij te komen dragen.

Twee van hen zijn Sander en Wessel. Sander heeft besloten om op eigen houtje geld en speeltuinmateriaal bij elkaar te sprokkelen, zodat de kinderen vanaf volgend jaar volop kunnen ravotten op schommels, klimrekken, een kabelbaan en ander speeltuig van Nederlandse makelij.

Ook zij worden begeesterd door het enthousiasme van de kinderen, die blanke mannen ongeacht hun postuur, leeftijd, uiterlijk of conditie altijd aanzien voor onverslaanbare Hollywood helden. En zoals ieder kind weet gaan filmsterren nooit dood, dus die kun je naar hartelust gebruiken als hobbelpaard, of als boksbal of klimpaal.

Sander krijgt gelukkig een geniale ingeving vóór hij ten onder gaat aan alle kindergeweld.

“Luister Bas, we vullen stiekem tweehonderd ballonnetjes met water bij een discreet kraantje achter het gebouw en die verdelen we onder twee groepen zodat er een spontane wateroorlog uitbreekt! Wij vormen de volwassen groep, en de kindergroep gaat gewoon ten onder.”

Ogenblikkelijk ben ik in voor het idee en snel naar de ballonnenboer, die in zijn handen wrijft van pret. De gemiddelde verjaardag doet hier zo’n vijf of zes ballonnen, dus tweehonderd is een ongekende kans op een goede dagomzet.

20040303Al gauw blijkt echter dat Sanders snode plannen niet helemaal uitwerken zoals we dat voor ogen hadden. Wessel, hij en ik hebben twee Nederlandse vrijwilligsters deelgenoot gemaakt van de intrige, zodat we gevijven stand kunnen houden tegen de meute jongelingen.

Binnen de kortste keren ruiken de boeven onraad en het discrete kraantje van zojuist ontpopt zich nu tot een verzamelplaats voor rebelse hangjongeren.

In de volgende aflevering (binnen twee weken) volgt de afloop van het ballonnengevecht en wordt een tipje van de sluier gelicht over het lot van Manuel.

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans !

In hun eigen woorden

5 juli 2004, door Bas onder Vrijwilligers in actie

Zo nu en dan vragen mensen ons hoe de kinderen zelf hun geschiedenis als straatkind ervaren hebben, en hoe ze het vinden om bij Proniño te wonen. Hier volgen wat uitspraken en verhalen van enkelen van hen.

Denis (denkt dat hij 13 is, heeft eerst enkele jaren overdag door de straten gezworven, vervolgens zeven maanden op straat gewoond en lijm gesnoven)

20040201Denis is al sinds de begindagen van het project kind aan huis bij Proniño. Inmiddels leeft hij in wooncentrum La Montaña, waar hij het volgens eigen zeggen zeer naar zijn zin heeft. Denis zit in groep vijf maar weet niet precies hoe oud hij is. Veel van de kinderen hebben een onzekere geboortedatum en wie jaren in een portiek heeft gewoond draagt natuurlijk geen uittreksel uit het bevolkingsregister meer bij zich…..

“Denis, wat vind je het leukst bij Proniño?”

“Alles, maar het meest dat er bomen zijn want dat is lekker koel en je kunt er ook in klimmen”.

“En wat vind je het stomst?”

“Dat ik wel eens moet werken als ik uit school kom. De school en het huiswerk vind ik leuk maar daarna hebben we soms een taak zoals vuil opruimen of onkruid wieden en planten snoeien en daar heb ik meestal niet zo’n zin in.”

Op dit moment wonen bij Proniño geen meisjes, alhoewel de centra daar wel voor zijn ingericht. Bas vroeg aan Denis of hij het jammer vindt dat er geen meisjes zijn…

“Echt niet, nu zijn we alleen maar met jongens en dat is veel gaver want daar kun je mee voetballen en vechten en knikkeren.”

“En je vindt het ook fijn dat je oudere broer hier woont?”

Ja, want hij is de enige die ik nog bij me heb van de familie. Ik heb ook nog een moeder en een klein zusje maar die wonen heel ver weg dus daar kan ik nooit op bezoek.

Kinderen die in La Montaña wonen en die nog familie hebben mogen daar af en toe op bezoek als dat geen risico voor hen inhoudt. Wie niet meer bij familie op bezoek kan of wie helemaal geen familie meer heeft mag zo nu en dan een zondag met één van de begeleiders mee naar huis om daar te eten en te spelen.

En de begeleiders, zijn die aardig of niet?

Die zijn supertof, die zijn net als vaders en moeders en ze zorgen heel goed voor ons.

Ariel (13, heeft zes jaar op straat gewoond, ex-drugsgebruiker, met name lijmsnuiven)

20040202Om 11 uur stond ik meestal op. Ik voelde me altijd goor want ik sliep op de stoep. Soms lag ik op karton maar mijn rug deed meestal pijn van het beton (Ariel blijkt op straat een hernia te hebben opgelopen en wordt daar in de zomer van 2004 aan geopereerd).

Als ik honger had ging ik naar de Burger King want daar gaven ze wel eens wat weg, of mensen gaven het restje dat ze over hadden van hun hamburger of patat. Toch voelde ik me daar slecht want ze sloegen me zodra ik om geld bedelde.

Als ik dan eindelijk genoeg pegels had ging ik altijd naar de koektent die me stiekem lijm verkocht. 50 Eurocent kostte een potje daar, genoeg voor twee nachten was dat.

Ik stal nooit, echt niet. Een vriendje van me wel, die is nu dood. Toen hij een fiets jatte hebben ze hem door zijn kop geschoten, van achter. Ik zat verstopt in een steegje en was superbang toen het gebeurde want ik kon het allemaal zien. Toen ben ik weggerend om de anderen te roepen. Later gingen we naar het mortuarium, de hele nacht zijn we daar gebleven, bij hem.

Op een dag heb ik Nicky ontmoet (Nicky werkt voor Proniño) en die heeft me overgehaald om met haar mee te gaan. Nu wil ik nooit meer lijm snuiven.

Ariel woont sinds anderhalf jaar bij Proniño,en na het afkicken in het opvangcentrum is hij verhuisd naar het permanente wooncentrum La Montaña. Hij gaat naar groep vier want hij heeft vijf jaar achterstand opgelopen. Maar wat is vijf jaar achterstand als je anders misschien dood was geweest? Ariel is een rustige jongen die soms verdrietig is omdat zijn moeder hem niet wil zien. Hoe moeten we hem uitleggen waarom zijn moeder hem niet zien wil als we dat zelf ook niet begrijpen? Meestal heeft hij plezier in het leven en hij gaat graag naar school.

Sebastian (9, heeft één jaar op straat gewoond, ex-drugsgebruiker, met name lijm, marihuana en crack).

20040203Laatst op weg naar de tandarts om een rotte kies te laten trekken, hadden Bas en Sebastian een serieus grote mensengesprek over carrière maken.

B: Wat wil je later worden Sebastian?

S: Ingenieur !

B: Weet je dan wat dat is, ingenieur?

S: Ja dombo, natuurlijk weet ik dat.

B: Wat dan?

S: Nou dat is een man die andere mannen vertelt hoe ze dingen moeten bouwen.

Sebastian heeft toen hij acht was met een naald een M in zijn been getatoueerd die de rest van zijn leven te lezen zal zijn. De M is het symbool van Mara Salvatrucha, de meest beruchte bende van Centraal Amerika, die dood en verderf zaait in de regio. Als je acht bent en onder de drugs zit vind je het blijkbaar tof om een M in je been te prikken, want dan maak je meer kans om op je twaalfde lid te mogen worden, en op een dag ook een echte moord te plegen. Sinds drie maanden woont Sebastian in het opvangcentrum Las Flores en is hij samen met de begeleiders een andere strijd begonnen, zijn strijd om de lijm te vergeten en op een dag ingenieur te worden. Overigens, toen zijn kies getrokken werd heeft hij uiteraard geen traan gelaten, Sebastián is heel stoer. Alhoewel, hoe langer hij bij ons is, hoe meer hij weer een kind durft te zijn en af en toe komt hij zelfs onbeschaamd een knuffel halen…

De namen Sebastian en Ariel zijn gefingeerd. Denis wilde graag met zijn eigen naam en foto worden afgebeeld.

Ware helden

23 juni 2004, door Bas onder Vrijwilligers in actie

Elke dag worden er kinderen geboren. Kinderen die eten nodig hebben, onderdak en onderwijs, liefde en verzorging. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in een wereld waarin zo veel aandacht uitgaat naar oorlog, geld en vermaak, kan het misschien geen kwaad om even stil te staan bij die kinderen.

Topvoetballers, filmsterren en gevierde politici worden bedolven onder de aandacht; zij zijn onze hedendaagse helden en vormen vaak een icoon die op handen wordt gedragen en van wie de look en stijl ijverig geïmiteerd worden.

20040101Maar er is nog een ander soort held, een held over wie je zelden hoort spreken en die nooit het acht uur journaal haalt; hooguit een kolommetje in de buurtkrant, als haar familie dat voor haar geschreven heeft. Niettemin zijn juist die helden vaak een lichtend voorbeeld voor de rest van ons en zijn juist zij het die de wereld echt veranderen. Anoniem en zonder prijzengeld ploeteren zij verder.

Laten we er eens één zo’n heldin uitlichten en haar, voor even maar, in de schijnwerpers zetten, voor ze weer opgaat in de schaduw van ons dagelijks bestaan.

Ze heet Nicky, ze komt uit Engeland, en ze is net 23 jaar. Net als miljoenen andere jonge Europeanen heeft ze de kans gekregen om te studeren en na de uitreiking van haar bul kon ze een juridische loopbaan beginnen. Dat deed ze niet. Nicky koos er voor om een jaar vrijwilligerswerk te gaan doen met straatkinderen in Honduras. Geen beloning, geen aanzien, geen carrière. Of toch?

Nicky’s beloning is die knuffel van dat ex-straatkind, haar aanzien is de waardering en het respect van de mensen om haar heen, en haar carrière is de overstap van vrijwilliger naar directrice van het opvangcentrum. Want een jaar was niet voldoende voor haar. Met de ervaring die ze heeft opgedaan, maar vooral met haar doorzettingsvermogen en haar rotsvaste geloof in de kinderen, heeft ze de toewijding en bezieling om Las Flores verder te ontwikkelen.

Door Nicky voor even in het zonnetje te zetten willen we geenszins het werk van anderen doen verbleken. Er zijn duizenden mensen als zij, dankzij wie de wereld meer kleur krijgt, dankzij wie de veranderingen die iedereen graag wil, daadwerkelijk worden doorgevoerd.

Wat te denken van de begeleiders overal ter wereld die dag in dag uit hun tijd, hun liefde en hun inzet geven voor de kinderen van de straat, voor een salaris waarvoor menig ander zich in zijn bed nog eens zou omdraaien? Of alle mensen die zorgen dat Homeless Child en duizenden andere stichtingen kunnen groeien en bloeien? Die mensen die zonder trompetgeschal en zonder voorwaarden geld geven, onze website onderhouden, documenten vertalen, evenementen organiseren en wat dies meer zij?

20040102Iedereen kan een steentje bijdragen, niemand hoeft bang te zijn dat wat hij doet “toch niets uithaalt”. Het zijn de kleine daden van velen die meer effect hebben dan de grote woorden van een enkeling.

Laten we eindigen met de dapperste helden van allemaal: de Kinderen, groot en klein. Verwaarloosd, misbruikt, geslagen, verlaten. Hun ziel vertrapt, hun vertrouwen gebroken, hun toekomst in de kiem gesmoord. Maar hun harten kloppen nog en hun liefde voor het leven is groter dan hun angst voor de dood. Zij zijn het die dag in dag uit het hardst vechten om de toekomst weer met kleur tegemoet te zien.

We zijn dankbaar om een stem te mogen zijn voor die kinderen die nooit gehoord worden wanneer ze proberen te spreken. De kinderen van de straat schreeuwen om aandacht maar in onze wereld wordt een schrille kinderstem al gauw gereduceerd tot gesmoord gefluister.

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans.

Homeless Child

De inspiratie voor dit stukje komt van Ana Tower, een Amerikaanse die vijf jaar geleden naar Honduras is verhuisd en daar ondermeer een voedingscentrum en twee weeshuizen runt. Dankzij het werk van Ana en de mensen om haar heen worden elk jaar tientallen zuigelingen van een wisse dood gered. Ook Ana is één van die anonieme helden en heldinnen die de wereld een mooiere plaats maken om in te wonen. Thank you Ana! Wie meer wil weten over Ana’s werk of wie liever vrijwilligerswerk zou willen doen met baby’s en peuters dan met straatkinderen, kan contact met ons opnemen via info@homelesschild.org