Alle posts voor augustus 2003

De hereniging

26 augustus 2003, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20030401Dit is het laatste deel van het verhaal waarin begeleidster Aurora, de twee tandartsvrouwen, en Bas samen op zoek gaan naar de drie vermiste doerakken.

“Neen!” een paniekgolf stroomt door mijn buik. “Neen, je kunt toch niet als een stel gewapende gekken een weggelopen kind achterna gaan? Je kan toch niet zomaar je geweer trekken en er in het wildenweg op los schieten in een onschuldige menigte?”

Pas na enkele tellen ontwaak ik uit mijn roes en begint het me te dagen dat het politieregiment het niet gemunt heeft op één van de Proniño kinderen maar op een man; een dikkige, besnorde kerel die een belachelijke poging doet om weg te duiken achter zijn pietluttige schoenmakersleest.

“Waarom vallen ze die vent aan? We zouden onder begeleiding een jongetje gaan zoeken in een foute buurt en plots is iedereen in rep en roer om een schoenlapper?” denk ik verbaasd, terwijl ik behoedzaam uit de tandartsauto stap en aan Cristian vraag wat er gaande is.

“Ja Bas man, weet je wel wie dat is, die vent daar met die lap haar onder zijn neus?” zegt hij vol verontwaardiging. Mmm, nee, dat weet ik natuurlijk niet want als ik mij hier ooit in mijn eentje als blanke begeven had zou ik het niet hebben kunnen navertellen.

“Nou, wie dan?” vraag ik nieuwsgierig.

“Ja, Bas jongen, dat is die gemene schoenmaker die ons altijd lijm verkoopt en dat is verboden maar hij doet het toch en het is nog hartstikke duur ook want hij weet dat we heus wel komen als we zonder zitten!”

En zo stuit ik dan in levenden lijve op de spil van het lijmprobleem dat de straatjeugd van alle arme landen teistert. Op de website van Casa Alianza staan een aantal interessante feiten vermeld over het hoe en wat in de lijmwereld. Casa Alianza werkt in verschillende Latijns Amerikaanse landen aan het verbeteren van het lot van straatkinderen en rapporteert aan de Verenigde Naties over het schenden van de fundamentele rechten van deze jonge, door alles en iedereen verlaten mensen.

Volgens Casa Alianza verkopen (westerse) lijmfabrikanten via hun distributiekanalen ruim 100 miljoen liter schoenlijm per maand aan verslaafde kinderen in Latijns Amerika. Een aardige, en legale, winstpost.die als sneeuw voor de Zon verdwijnt zodra ze een equivalente lijm op waterbasis fabriceren. Die plakt namelijk weliswaar even goed, maar is niet te snuiven.

Via groothandels komt de lijm bij schoenmakers terecht die het blijkbaar zonder schroom of scrupules doorverkopen aan 8 of 10 of 12 jarige snuivertjes, die het op hun beurt gretig hun longen inzuigen, tot ze te ziek zijn om nog te stelen of hoereren om het benodigde kapitaaltje voor weer een potje lijm bij elkaar te schrapen, of tot ze dood neervallen van een overdosis.

Daar sta ik dan oog in oog met zo’n “dealer”, die onder hoongelach van de omstanders en applaus van onze kinderen in de kraag gevat wordt en in de boeien geslagen tussen twee agenten ingeklemd op de achterbank van de patrouillewagen neerploft.

Gezamenlijk zetten wij de reis vrolijk voort, met ons telkens bonter wordend gezelschap.

Zo zijn daar drie verwilderde jongetjes: Flaco de bonenstaak, Cristian de trotse puber, en de onverzettelijke Nieuweling, die vastbesloten is om zich tegen elke prijs bij het Proniño Paradijs naar binnen te vechten. Ik doe een poging om in zijn huid te kruipen, maar kan me slechts een vage voorstelling maken van zijn drang tot overleven. Wat gaat er om in een kind van negen dat zo weinig te verliezen heeft dat het zich opdringt aan een stel onbekende volwassenen? Waar een westers kind van die leeftijd alle contact met vreemden zou schuwen, legt dit jochie zijn lot vol geestdrift in onze handen. De Nieuweling heeft geen vader. Ook geen moeder. Misschien een handjevol broertjes en zusjes die hij kwijt is. De Nieuweling heeft alleen zijn eigen leven te verliezen, dus kan hij alles in de waagschaal leggen om er nog iets van te maken.

20030402Verder bestaat de groep uit een zestal norse officieren, opgejut door de aanwezigheid van die Amerikaan van FBI allooi, waar ik wijselijk nog steeds voor door ga. Dan zijn er drie dames in ons midden. Dappere Aurora, die als eerste op de kinderen in het obscure parkje afstapte. De twee tandartsen, die weliswaar angstvallig om zich heen kijken en de deuren goed vergrendeld houden, maar toch het initiatief hadden genomen om deze zoektocht op touw te zetten. Tenslotte, sinds zojuist, de ambachtsman die een deel van zijn brood verdient met de verkoop van derde wereld drugs.

Gezamenlijk begeven we ons naar El Pasaje, de doorgang waar de laatste vermiste doerak zich vermoedelijk ophoudt. No man’s land. De politie stopt. De tandartsen blijven in hun auto met de deuren potdicht maar Dappere Aurora stapt statig uit. Ik ook, zij het iets minder statig.

Vijandige blikken vallen ons ten deel van omstanders, die samendringen om als het ware in elkaar op te gaan en zo een front te vormen tegen de bedreigende aanwezigheid van de officieren. Als de arm der wet tot hier doordringt betekent dat zelden iets goeds.

De agenten grijpen hun knuppels steviger vast. Ik loop achter hen aan, ongewapend en kwetsbaar, terwijl Aurora bescherming zoekt bij de auto. De enige die hier de weg nog kent is Cristian, en stoer neemt hij het voortouw, af en toe amicaal de hand schuddend van “kennissen” die ik er stilletjes van verdenk dat ze mijn strot zouden doorsnijden als Cristian er niet was om mij te beschermen. De omgekeerde wereld. Het voelt macaber comfortabel.

El Pasaje. Een steegje is het. Smerig, stank, mensenstront op straat, gangleden. Een hoogzwangere vrouw ligt halfnaakt en verdwaasd met een lijmzakje aan haar mond op een bed van twee lagen karton waar “Pioneer” op te lezen staat. Haar borsten staan op springen. Haar huid lijkt prachtig gebruind, of is dat opgehoopt straatvuil dat zich in alle poriën van haar lichaam heeft verankerd? Karton van “Pioneer”. Zou ze een gejatte stereotoren hebben gesleten en het omhulsel gebruiken als huis? Zal ik het haar vragen? De situatie is zo overweldigend dat ik me afsluit voor de werkelijkheid en gebiologeerd raak door de vreemdste details.

De doerak is onvindbaar. De Nieuweling daarentegen doet zijn aanwezigheid sterker gelden dan ooit, want hij weet dat voor hem het uur van de waarheid is aangebroken. Mag hij mee of niet? Het mag. Natuurlijk mag het! Aurora en ik blijken niet opgewassen tegen zijn charmeoffensief en de politie is al lang blij dat zo een ontluikende criminele carrière in de kiem gesmoord wordt.

Gezevenen rijden we in de krappe Japanner van de tandartsdames terug naar opvangcentrum Las Flores, zegevierend omdat twee doerakken weer in ons midden zijn, ongerust om het lot van de derde. Flaco en Cristian gaan gauw weer op in de groep.

De Nieuweling wordt in zijn Proniño Paradijs herenigd met zijn beste straatvriendje Denis, en blijkt inderdaad een aardig balletje te kunnen trappen. Na een paar dagen wenkt hij mij met een samenzweerderig gebaar naar een discreet hoekje, zodat niemand de geheime transactie kan gadeslaan waar ik deelgenoot in word. Plechtig moet ik mijn ogen dicht doen en eeuwige zwijgplicht zweren.

“Voor jou”, fluistert hij triomfantelijk, terwijl hij een miniatuur exemplaar van een F-16 van de US Air Force tevoorschijn tovert en in mijn handen drukt.

Omdat je me gered hebt!”

Ik ben er van overtuigd dat het glimmend opgepoetste vliegtuigje niet op geheel rechtmatige wijze in mijn handen is geland, maar ingenieus ontvreemd is uit de algemene speelgoedbak. Tja, wat doe je in zo’n geval als surrogaat opvoeder? In zo’n geval gooi je gewoon al je principes overboord en neem je met een brok in je keel van dankbaarheid en ontroering je cadeautje in ontvangst..

In werkelijkheid noemen de begeleiders “El Flaco” en “de Nieuweling” bij hun ware namen. Het bovenstaande verhaal heeft zich afgespeeld in augustus 2003 en van de kleinste doerak is men in januari 2004 nog steeds elk spoor bijster. Eind oktober 2003 heeft El Flaco na een zware strijd met zichzelf besloten om het opvangcentrum opnieuw te verlaten en terug te keren naar de straat. Proniño onderhoudt zo veel mogelijk contact met hem en er is een gerede kans dat hij terugkomt om opnieuw een toekomst te zoeken.

Cristian was eind november 2003 bij de eerste groep kinderen die verhuisden naar La Montaña, het minidorpje waar de kinderen naar school kunnen, een vak kunnen leren, en kunnen opgroeien. Hij was de allerbeste leerling in de vakopleiding, maar vlak voor kerst heeft hij toch besloten om weer naar San Pedro Sula te vertrekken, waar zijn grote broer rondscharrelt. Ook hij is weer welkom bij Proniño. De Nieuweling gedijt al sinds de eerste dag als een vis in het water en gaat nu officieel naar de net geopende school op La Montaña. Hij kan inmiddels zijn naam schrijven en al veel meer!

20030403Het voorval dat hier geschetst wordt is geen alledaagse situatie. De meerderheid van de kinderen blijven net als de Nieuweling bij Proniño en leren met vallen en opstaan weer genieten van het leven en geloven in de toekomst die hen daar geboden wordt. Niettemin is het voor een deel van de straatjeugd nou eenmaal moeilijk om de vrijheid van het “buitenleven” en de “geneugten” van de drugs in te ruilen voor een leven met regelmaat en opleiding. Van jarenlang verwaarloosde kinderen en pubers kan onmogelijk verwacht worden dat ze altijd en meteen een weloverwogen en verstandige keus maken voor hun toekomst.

De begeleiders van Proniño, op hun beurt, leren steeds beter zorg verlenen, waarbij liefde en compassie zwaarder wegen dan kennis uit westerse boekjes. De eerste groep van 28 ex-straatkinderen gaat inmiddels bij hen naar school en leert een vak; met de volgende groep wordt momenteel op straat een vertrouwensband gesmeed, zodat die, wanneer ze er klaar voor zijn, ook kunnen beginnen aan het rehabilitatieproces.

’s Avonds als ik knus op de bank zit met een kop thee en ik moet aan Flaco denken, flitsen me beelden voor ogen van een tot beest gereduceerd mensje in die gore “Pasaje”, met twee kartonnen dozen als huis. Van “Pioneer” natuurlijk. Maar ik hoef slechts één blik op mijn bureau te werpen om een glimmende F16 naar me te zien knipogen, en dan weet ik weer waarom we dit werk doen. Licht en Liefde.

Tranen op een politiebureau

10 augustus 2003, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20030301Dit is het vervolg op het verhaal waarin begeleidster Aurora, de twee tandartsvrouwen, en Bas samen op zoek gaan naar de drie vermiste doerakken.

San Pedro Sula, 500.000 inwoners, drie weggelopen kereltjes…en daar slenteren er twee! Terwijl ik langs de zijkant van de kerk loop zie ik twee bekende hoofden net boven een muurtje uitsteken, aan de overkant van de straat. Een golf van warm geluk stroomt door me heen. Dan slaat de schrik me om het hart. Willen ze me wel zien? Misschien smeren ze hem meteen! Ik moet bukken! Mijn hart giert in mijn keel en zonder nadenken werp ik me blindelings in het verkeer van San Pedro Sula’s drukste straat, alles of niets..

Voor ik er erg in heb sta ik oog in oog met “El Flaco” en zijn vriendje. El Flaco betekent “De Dunne” in het Spaans. Het is een toepasselijke bijnaam voor deze bonenstaak die ondanks vier maanden oplappraktijken bij de mensen van Proniño nog steeds vel over been is. De jongens zijn blij verrast als ze me zien maar in mijn paniek bega ik een blunder en grijp ik El Flaco bij zijn lurven, uit angst dat beide kinderen er anders tussenuit piepen.

De grote grijns op hun gezichten versteent, en het kleinste jongetje spurt lenig als een hazewindhond weg, om binnen luttele tellen op te gaan in een ondoordringbare massa van marktkooplui, keuvelende buurvrouwen en scholieren. El Flaco ontkomt niet aan mijn ijzeren greep en tot mijn vreugde blijkt zijn tegenstribbelen meer symbolisch dan overtuigd.

“Is hij dan stiekem toch heel blij dat we hem helemaal hier zijn komen zoeken?” flitst het door me heen.

Dat zal best maar ondertussen is de scène die zich afspeelt tussen de grote blanke man en het kleine bruine jongetje natuurlijk een garantie voor vertier en al gauw worden wij omringd door wel honderd nieuwsgierige San Pedro Sulenaren. Niemand weet zich raad met de situatie. De menigte twijfelt duidelijk of ik een duivelse kidnapper ben die het gemunt heeft op het leven van El Flaco, of dat ik de reddende engel ben voor een anders tot verdoemenis veroordeeld diefje, terwijl ik me op mijn beurt loop af te vragen of ik me nou bedreigd moet voelen door alle oplettende blikken of juist beschermd.

De politie brengt raad. Drie man sterk komen zij aangehobbeld en in rap gebroken Spaans leg ik uit dat ik als vrijwilliger bij Proniño werk en Flaco ben komen zoeken omdat ik in hem geloof en hem zo graag een kans op een toekomst wil helpen bieden. Er breekt iets in de jongen. Hij barst in tranen uit, om vervolgens spontaan mijn hand beet te pakken en gedwee mee op te lopen.

20030302Tellen later zitten we in het politiebureau. Twee stoeltjes, een bureautje dat lijkt overgewaaid uit communistisch Rusland, waarop trots een typemachine uit de zestiger jaren prijkt, en tot mijn ergernis een oeroude ventilator die krakend van vermoeidheid rondjes draait aan het plafond om een zuchtje koelte te brengen in de verzengende hitte. Het helpt niet. Een zweempje frisse lucht kan niet opboksen tegen de frustratie die het gekraak van het antieke apparaat teweeg brengt.

“Flaco we houden van jou, we zijn hier met zijn vieren om je naar huis te brengen, op straat ga je dood, van de lijm of van de klappen, we houden van jou hoor!”

Op mijn knieën zit ik voor het kind in die ondraaglijke hitte, er zorg voor dragend dat ik tegen hem opkijk en niet andersom, scherp gadegeslagen door de drie politieagenten, die erg druk worden van mijn aanwezigheid.

“Hij houdt van die jongen als een vader van zijn zoon”, floept één van de mannen er spontaan uit.

El Flaco, die sinds mensenheugenis geen vader meer heeft, vervalt in een hartverscheurende huilbui en mijn woorden verstommen schokkend in mijn keel. We denken aan hetzelfde, en we weten wat: twee weken eerder had Flaco na een spannend kussengevecht met mij, dat ik overigens nipt verloren had, voor het eerst voldoende moed bij elkaar geschraapt om een aftastend gesprekje aan te knopen.

Toen ik hem tussen de kussenklappen door vertelde dat mijn eigen vader overleden was op mijn negende, had hij blijkbaar besloten dat ik dankzij die overeenkomst net genoeg vertrouwen verdiende om een kort kijkje in zijn zielenroerselen te mogen nemen.

Ondertussen zit chef politie druk orders te roepen in zijn walkie talkie:

“Er is hier een Amerikaan van Proniño met een kind, over”

“Hij zoekt er nog twee, over”

“Stuur nu een patrouille voor versterking, over.”

Nou moe, een hele patrouille voor twee straatschoffies en dat in een land waar bepaalde politieagenten er om berucht staan diezelfde kindertjes gewoon dood te schieten als hen dat zo uitkomt! (voor informatie hierover, zie www.casa-alianza.org, red.). Instinctief besluit ik om even Amerikaan te blijven. Wilde fantasieën over de FBI en de Amerikaanse ambassade maken waarschijnlijk meer indruk op dit soort mannen dan Balkenende en consorten.

Inmiddels hebben lerares Aurora en de tandartsdames zich weer bij ons gevoegd met Cristian in hun kielzog. Apetrots dat we blijkbaar echt zo veel om hem geven dat we hem gevieren zijn komen zoeken, voert hij het hoogste woord terwijl hij de politieagenten uitdagend aankijkt, zich er scherp van bewust dat die hem poeslief zullen behandelen zolang de Proniño mensen er bij zijn.

Opnieuw tijgen we naar het obscure parkje. Ditmaal worden we vergezeld door een klein regiment zwaar bewapende politiemannen, om te gaan zoeken naar de laatste vermiste doerak.

Hij is natuurlijk in geen velden of wegen te bekennen, maar al gauw komt onze kleine vriend weer aanrennen, die nog geen uur geleden hangend aan mijn been een smeekbede had gehouden om toch alsjeblieft maar ontvoerd te worden naar wat hij als het grote Proniño Paradijs beschouwt. Ditmaal heeft hij al zijn zinnen gezet op Aurora, die hij uit alle macht vastklampt.

“Señora, Señora!”, klinkt het schelle kinderstemmetje.

“Ik ben superlief en ik kan al heel goed mijn eigen bed opmaken en ook mijn tanden poetsen hoor, kijk maar!”

Spontaan gunt hij ons een blik in zijn wijd open gesperde mond. Beelden van een keurmarkt voor vee flitsen voor mijn netvlies langs en opnieuw word ik me pijnlijk bewust van de hopeloze situatie waarin meer dan honderd miljoen kinderen op aarde verkeren. Overgelaten aan hun lot, overgelaten aan de grillen en welwillendheid van de volwassenen om hen heen.

Ook Aurora weet niet goed raad met de situatie en als we even later op aanraden van de parkjongeren naar “El Pasaje” (De Doorgang) scheuren ziet het jochie zijn kans schoon en springt lenig in de achterbak van de politietruck.

20030303Samen met El Flaco en een agent kom ik bij de tandartsvrouwen in de auto terecht, op weg naar wat bekend staat als één van de meest ontoegankelijke wijken van deze levensgevaarlijke stad. We rijden achter de patrouille. De tandartsen zijn bang, ze vergrendelen de deuren van hun auto. De agent staart stoer voor zich uit, af en toe iets onverstaanbaars mompelend in zijn walkie talkie, en ik verdenk hem er van dat hij indruk wil maken op de dames.

De jongens, Cristian, Flaco en de nieuweling, beschouwen het uitje als een weldaad van aandacht en verwennerij. Flaco joelt met pretoogjes. Cristian en de Nieuweling zitten broederlijk met drie politieofficieren in de bak van de pick-up, alsof ze de dikste vrienden zijn.

Zelf doe ik mijn best om kalmte uit te stralen, maar ik voel de vibraties van het avontuur door mijn huid heen dringen en bezit nemen van mijn gemoed, dat op en neer deint in de golven van de elkaar in hoog tempo overtreffende evenementen. Wanneer Cristian en de nieuweling plots geestdriftig gebarend in dezelfde richting wijzen, slaat de spanning om in rumoerig tumult, en kunnen de tandartsvrouwen ternauwernood een botsing met de patrouillewagen voorkomen.

De agenten grijpen hun mitrailleurs. Dit kan niet waar zijn. Elkaar verdringend springen ze haastig uit de truck, manoeuvrerend met hun geweren in de aanslag en aanwijzingen schreeuwend tegen het publiek. Ik geloof het gewoon niet..