Alle posts voor juli 2003

Noooooooit ga ik meer bij jullie weg!

14 juli 2003, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20030201“Nooooooiiiiittt ga ik meer bij jullie weg, weet je dat?” Cristian hangt met zijn hoofd in mijn nek terwijl hij het zegt, maar vermijdt mijn blik.

Tielke Ausems, onze secretaris, heeft tijdens haar bezoek aan het project besloten om alle kinderen op een gebitsrenovatie te trakteren. Wie in de goot woont is meestal net iets te druk met overleven om ook nog zijn tanden te poetsen en Cristian met zijn jarenlange straatcarrière voert met misplaatste trots de lijst aan met zestien (16!!) gaatjes en twee rotte kiezen.

Tja, dan verdien je wel een uitje tussen twee spuiten door, dus samen gaan we naar het internetcafé om de Homeless Child website te bekijken. Net als de meeste van onze kinderen kan hij lezen noch schrijven, maar blijkbaar weerhoudt dat hem er niet van om met volle teugen te genieten en ik zie het vuur in zijn ogen oplaaien als ik uitleg dat mensen in een heel ver en rijk land nu kunnen zien hoe hij woont, dat sommige van die mensen zelfs een beetje van hun geld of tijd geven omdat ze het oneerlijk vinden dat hij, Cristian, al sinds zijn vijfde op karton slaapt en schoenlijm snuift om de hongerkramp te verdoezelen.

“Ik ga noooooooiiiiittt meer bij jullie weg” herhaalt hij. Natuurlijk geloof ik dat dus laat ik hem in zijn eentje het blok naar de tandkliniek lopen; dan kan ik zelf nog even lekker e-mail ophalen. Dat bleek naïef.

Als ik een kwartier later terugkom bij de tandarts blijkt de jongen daar niet te zijn. Overtuigd van zijn goede wil loop ik doodgemoedereerd een blokje om, in de veronderstelling dat het arme schaap verdwaald is en nu moederziel verloren ergens zit te wachten tot zijn reddende engel uit Holland hem komt halen. Ook dat bleek naïef.

Cristian komt uit de grote buurstad San Pedro Sula en de verleiding bleek te groot, hij wordt teruggezogen naar de vrijheid van de straat, terug naar de verrukking van de narcotica, ook als dat betekent geen bed, geen toilet, geen eten, opnieuw klappen, opnieuw bedelen…..

Al zoekende begin ik te beseffen hoe groot de consequenties van mijn actie zijn, en met hangende pootjes loop ik naar kantoor om hulp in te schakelen. Hoe leg je dat uit? Iedereen maakt fouten en je kunt van alles kwijtraken, je bril, je sleutels, zelfs je auto. Maar een kind..een kind dat verlies je toch niet? Blijkbaar wel dus.

20030202Tot overmaat van ramp herhaalt het tafereel zich drie dagen later wanneer opnieuw twee jongetjes er tussenuit piepen terwijl de directeur, die speciaal was meegekomen om een oogje in het zeil te houden, even gaat plassen en de tandarts met haar hoofd boven het zoveelste gaatje van het zoveelste kind hangt.

Gelukkig is de rest van de club inmiddels stabiel genoeg. Al worden ze onrustig, ze geven zich niet meteen over aan rebellie of wegloopneigingen. In het opvangcentrum, Las Flores, woont sinds een paar maanden de eerste groep van 25 kinderen, die daar voorbereid worden op een leven met regelmaat en structuur, een leven met school en beroepsopleidingen. Vanaf het moment dat ze opstaan tot ze naar bed gaan krijgen ze bezigheidstherapie om niet aan de lijm of andere drugs te denken, om aandacht en concentratievermogen te vergroten, gevoel voor eigenwaarde te ontwikkelen en de wereld weer kleur te geven.

Voor de overgrote meerderheid blijkt dit systeem te werken. Het is zo magisch om mee te mogen maken met hoeveel frivoliteit de gemiddelde tienjarige zich overgeeft aan het kind zijn en verwikkeld raakt in eindeloze knikkercompetities of “wie-kan-het-mooist-zijn-naam-schrijven” spelletjes, dat je haast zou vergeten dat ze stuk voor stuk in de goot hebben gewoond, opgejaagd als wilde dieren door volwassenen.

Door de winkeleigenaar die ze in elkaar slaat omdat ze een appel stalen tegen de hongerkramp, door de politie, die op haar beurt opgejaagd wordt door de winkeleigenaar en zich verplicht voelt om “die rotduivels” uit de weg te ruimen, door een bendelid vol tatoeages die dreigt ze lek te steken als ze niet genoeg bedelgeld voor hem bij elkaar schrapen, door de pedofiel die ze een handje wisselgeld geeft in ruil voor seks.

Overlevingsseks heet dat. De omvang hiervan is moeilijk vast te stellen, maar het feit dat in onze groep van 25 slechts één meisje zit spreekt boekdelen. Zo lang er nog enige familiale banden bestaan worden meisjes meer van de straat gehouden dan jongens, maar zodra ze zich blootstellen aan de gevaren van de straat vallen ze vaak ten prooi aan een netwerk van prostitutie waar ze vervolgens haast niet meer uit te halen zijn. Dat wil niet zeggen dat de jongens niks te vrezen hebben. Ik heb gehoord dat één van de onze altijd op klaarlichte dag heupwiegend over het plein paradeerde met een handtasje losjes over zijn schouder en een opgemaakt gezicht. Het kind is twaalf.

Ondertussen zijn de drie doerakken dus zoek. Omdat de twee vrouwelijke tandartsen net zo bezorgd zijn als wij en zich onwillekeurig ook een beetje verantwoordelijk voelen, stappen begeleidster Aurora en ik samen met hen in de auto. Op naar San Pedro Sula, op naar “onze” koters.

Maar hoe doe je dat? Hoe vind je een kind? Waar begin je met zoeken in een stad van meer dan 500.000 inwoners, waar naar schatting zo’n 1.500 minderjarigen door de straten schuimen in wijken die onder gewapend bewind staan van vervaarlijke bendes, en die daarom ontoegankelijk zijn voor ons?

Voor we vertrokken had Aurora inlichtingen ingewonnen bij een paar van onze meest doorgewinterde ex-straatschoffies, en die verwezen unaniem naar “het parkje”. Het zou de centrale ontmoetingsplaats zijn voor de groep waar ze zich het meest mee ophielden.

Dat zogenaamde parkje bleek een obscuur, braakliggend terrein te zijn, gekraakt door een stuk of vijftien kinderen van zo’n acht tot zestien jaar. Er was een vuurtje gestookt, volstrekt onnodig op klaarlichte dag in een stad waar het hele jaar door de thermometer niet onder de 30 graden komt. Er ging een fles drank rond. De helft had een zakje lijm aan de mond hangen en allemaal staarden ze ons strak aan, hun ogen gevuld met dreiging en angst.

20030203Ook wij zijn bang. Gedurende oneindige seconden vertekent een voelbaar veld van spanning onze blik, tot één van hen de status quo doorbreekt met een onzekere glimlach en een paar voorzichtige passen in onze richting. Dappere Aurora stapt door een gat in het hek, met de tandartsvrouwen en mij in haar kielzog.

“Hoewist?”, vraagt de brutaalste met een typische straattongval.

“En jij?”, antwoord ik stoer. Het komt er belabberd uit; straatkindertaal klinkt nou eenmaal niet uit de mond van grote witte mannen met een zwaar buitenlands accent. De jongen kan mijn poging gelukkig waarderen en als het ijs gebroken is vragen we nieuwsgierig naar de drie doerakken.

Ondertussen klampt één van de kleinste kindertjes zich aan mij vast.

“Meneer, meneer, zijn jullie van Proniño?”

Verrast dat het jochie de naam van het project uit de kleinere stad een half uur verderop kent, kijk ik hem met lichte argwaan aan.

“Ja, wij zijn van Proniño jongen”

“Meneer, meneer, mag ik dan met jullie mee?”

Ik ben verward omdat er te veel gebeurd. Aurora en de tandartsen zijn met een paar kinderen in een druk gesprek verwikkeld over de mogelijke verblijfplaats van Cristian en consorten. Een ventje loopt het vuurtje op te stoken. Een jongen en meisje van hooguit dertien lopen uitdagend te tongelen, hopend dat wij geschokt reageren.

“Waarom wil je mee dan?” vraag ik hem.

“Omdat het bij jullie gaaf is, bij jullie is het supertof!”. Hij floept het er vol overtuiging uit en mijn argwaan slaat om in dankbaarheid. Nieuwsgierig vraag ik hem waarom hij dat vindt.

“Nou, mijn beste vriend woont daar en die heeft het gezegd! Denis, die kent u wel hè? Denis woont bij jullie. Denis is mijn allerbeste vriend en hij is de beste voetballer van de stad maar ik ben het tweetst best hoor meneer, mag ik met jullie mee? Want Denis heeft hier ook bij mij in het park gewoond en die is nu bij jullie dus dan mag ik toch ook wel komen toch? Ik eet niet veel hoor, ik ben pas net negen. Oh ja, en ik ben heel rustig.”

Die laatste opmerking is in elk geval ver bezijden de waarheid en uit het veld geslagen door de spraakwaterval werp ik een vluchtige blik naar begeleidster Aurora. Ook zij zet een wat bedenkelijk gezicht op; de situatie is al chaotisch genoeg en het is nogal wat om een kind zomaar van de straat te plukken in de buurstad.

“Nu nog maar even niet joh”, wimpel ik hem af, terwijl me een kriebelend schuldgevoel bekruipt. 100 miljoen straatkinderen zijn er naar schatting in de wereld. Vijfentwintig daarvan zijn nu bij ons, kunnen we een kleine 26ste er echt niet bij hebben?

De tandartsvrouwen plukken me enthousiast uit mijn overpeinzingen. Onze jongens zitten vermoedelijk bij de kathedraal, in het stadsplein.

Het plein is zo immens dat we besluiten ieder een deel voor onze rekening te nemen. De twee tandartsen claimen de noordzijde, terwijl Aurora het midden begint uit te kammen en voor mij het stuk overblijft dat direct aan de kathedraal grenst. Een drukte van jewelste is het. Verschrompelde mannetjes hebben bezit genomen van de verroeste stalen bankjes die strategisch in de lommer van de bomen zijn geplaatst om hun domino competities te kunnen beslechten. Kinderen in schooluniform lopen te keten, terwijl straatverkopers proberen de meest uiteenlopende waar te slijten. Antennes kun je hier aanschaffen. Geplukte kippen, plastic riemen, gebrande cd’s van ABBA in het Spaans, kranten, lootjes. Vooral veel lootjes. Hoe armer een volk, hoe beter de lootjesindustrie gedijt, want hoop doet leven, en consumeren.