Archive for 2003

De hereniging

26 augustus 2003, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20030401Dit is het laatste deel van het verhaal waarin begeleidster Aurora, de twee tandartsvrouwen, en Bas samen op zoek gaan naar de drie vermiste doerakken.

“Neen!” een paniekgolf stroomt door mijn buik. “Neen, je kunt toch niet als een stel gewapende gekken een weggelopen kind achterna gaan? Je kan toch niet zomaar je geweer trekken en er in het wildenweg op los schieten in een onschuldige menigte?”

Pas na enkele tellen ontwaak ik uit mijn roes en begint het me te dagen dat het politieregiment het niet gemunt heeft op één van de Proniño kinderen maar op een man; een dikkige, besnorde kerel die een belachelijke poging doet om weg te duiken achter zijn pietluttige schoenmakersleest.

“Waarom vallen ze die vent aan? We zouden onder begeleiding een jongetje gaan zoeken in een foute buurt en plots is iedereen in rep en roer om een schoenlapper?” denk ik verbaasd, terwijl ik behoedzaam uit de tandartsauto stap en aan Cristian vraag wat er gaande is.

“Ja Bas man, weet je wel wie dat is, die vent daar met die lap haar onder zijn neus?” zegt hij vol verontwaardiging. Mmm, nee, dat weet ik natuurlijk niet want als ik mij hier ooit in mijn eentje als blanke begeven had zou ik het niet hebben kunnen navertellen.

“Nou, wie dan?” vraag ik nieuwsgierig.

“Ja, Bas jongen, dat is die gemene schoenmaker die ons altijd lijm verkoopt en dat is verboden maar hij doet het toch en het is nog hartstikke duur ook want hij weet dat we heus wel komen als we zonder zitten!”

En zo stuit ik dan in levenden lijve op de spil van het lijmprobleem dat de straatjeugd van alle arme landen teistert. Op de website van Casa Alianza staan een aantal interessante feiten vermeld over het hoe en wat in de lijmwereld. Casa Alianza werkt in verschillende Latijns Amerikaanse landen aan het verbeteren van het lot van straatkinderen en rapporteert aan de Verenigde Naties over het schenden van de fundamentele rechten van deze jonge, door alles en iedereen verlaten mensen.

Volgens Casa Alianza verkopen (westerse) lijmfabrikanten via hun distributiekanalen ruim 100 miljoen liter schoenlijm per maand aan verslaafde kinderen in Latijns Amerika. Een aardige, en legale, winstpost.die als sneeuw voor de Zon verdwijnt zodra ze een equivalente lijm op waterbasis fabriceren. Die plakt namelijk weliswaar even goed, maar is niet te snuiven.

Via groothandels komt de lijm bij schoenmakers terecht die het blijkbaar zonder schroom of scrupules doorverkopen aan 8 of 10 of 12 jarige snuivertjes, die het op hun beurt gretig hun longen inzuigen, tot ze te ziek zijn om nog te stelen of hoereren om het benodigde kapitaaltje voor weer een potje lijm bij elkaar te schrapen, of tot ze dood neervallen van een overdosis.

Daar sta ik dan oog in oog met zo’n “dealer”, die onder hoongelach van de omstanders en applaus van onze kinderen in de kraag gevat wordt en in de boeien geslagen tussen twee agenten ingeklemd op de achterbank van de patrouillewagen neerploft.

Gezamenlijk zetten wij de reis vrolijk voort, met ons telkens bonter wordend gezelschap.

Zo zijn daar drie verwilderde jongetjes: Flaco de bonenstaak, Cristian de trotse puber, en de onverzettelijke Nieuweling, die vastbesloten is om zich tegen elke prijs bij het Proniño Paradijs naar binnen te vechten. Ik doe een poging om in zijn huid te kruipen, maar kan me slechts een vage voorstelling maken van zijn drang tot overleven. Wat gaat er om in een kind van negen dat zo weinig te verliezen heeft dat het zich opdringt aan een stel onbekende volwassenen? Waar een westers kind van die leeftijd alle contact met vreemden zou schuwen, legt dit jochie zijn lot vol geestdrift in onze handen. De Nieuweling heeft geen vader. Ook geen moeder. Misschien een handjevol broertjes en zusjes die hij kwijt is. De Nieuweling heeft alleen zijn eigen leven te verliezen, dus kan hij alles in de waagschaal leggen om er nog iets van te maken.

20030402Verder bestaat de groep uit een zestal norse officieren, opgejut door de aanwezigheid van die Amerikaan van FBI allooi, waar ik wijselijk nog steeds voor door ga. Dan zijn er drie dames in ons midden. Dappere Aurora, die als eerste op de kinderen in het obscure parkje afstapte. De twee tandartsen, die weliswaar angstvallig om zich heen kijken en de deuren goed vergrendeld houden, maar toch het initiatief hadden genomen om deze zoektocht op touw te zetten. Tenslotte, sinds zojuist, de ambachtsman die een deel van zijn brood verdient met de verkoop van derde wereld drugs.

Gezamenlijk begeven we ons naar El Pasaje, de doorgang waar de laatste vermiste doerak zich vermoedelijk ophoudt. No man’s land. De politie stopt. De tandartsen blijven in hun auto met de deuren potdicht maar Dappere Aurora stapt statig uit. Ik ook, zij het iets minder statig.

Vijandige blikken vallen ons ten deel van omstanders, die samendringen om als het ware in elkaar op te gaan en zo een front te vormen tegen de bedreigende aanwezigheid van de officieren. Als de arm der wet tot hier doordringt betekent dat zelden iets goeds.

De agenten grijpen hun knuppels steviger vast. Ik loop achter hen aan, ongewapend en kwetsbaar, terwijl Aurora bescherming zoekt bij de auto. De enige die hier de weg nog kent is Cristian, en stoer neemt hij het voortouw, af en toe amicaal de hand schuddend van “kennissen” die ik er stilletjes van verdenk dat ze mijn strot zouden doorsnijden als Cristian er niet was om mij te beschermen. De omgekeerde wereld. Het voelt macaber comfortabel.

El Pasaje. Een steegje is het. Smerig, stank, mensenstront op straat, gangleden. Een hoogzwangere vrouw ligt halfnaakt en verdwaasd met een lijmzakje aan haar mond op een bed van twee lagen karton waar “Pioneer” op te lezen staat. Haar borsten staan op springen. Haar huid lijkt prachtig gebruind, of is dat opgehoopt straatvuil dat zich in alle poriën van haar lichaam heeft verankerd? Karton van “Pioneer”. Zou ze een gejatte stereotoren hebben gesleten en het omhulsel gebruiken als huis? Zal ik het haar vragen? De situatie is zo overweldigend dat ik me afsluit voor de werkelijkheid en gebiologeerd raak door de vreemdste details.

De doerak is onvindbaar. De Nieuweling daarentegen doet zijn aanwezigheid sterker gelden dan ooit, want hij weet dat voor hem het uur van de waarheid is aangebroken. Mag hij mee of niet? Het mag. Natuurlijk mag het! Aurora en ik blijken niet opgewassen tegen zijn charmeoffensief en de politie is al lang blij dat zo een ontluikende criminele carrière in de kiem gesmoord wordt.

Gezevenen rijden we in de krappe Japanner van de tandartsdames terug naar opvangcentrum Las Flores, zegevierend omdat twee doerakken weer in ons midden zijn, ongerust om het lot van de derde. Flaco en Cristian gaan gauw weer op in de groep.

De Nieuweling wordt in zijn Proniño Paradijs herenigd met zijn beste straatvriendje Denis, en blijkt inderdaad een aardig balletje te kunnen trappen. Na een paar dagen wenkt hij mij met een samenzweerderig gebaar naar een discreet hoekje, zodat niemand de geheime transactie kan gadeslaan waar ik deelgenoot in word. Plechtig moet ik mijn ogen dicht doen en eeuwige zwijgplicht zweren.

“Voor jou”, fluistert hij triomfantelijk, terwijl hij een miniatuur exemplaar van een F-16 van de US Air Force tevoorschijn tovert en in mijn handen drukt.

Omdat je me gered hebt!”

Ik ben er van overtuigd dat het glimmend opgepoetste vliegtuigje niet op geheel rechtmatige wijze in mijn handen is geland, maar ingenieus ontvreemd is uit de algemene speelgoedbak. Tja, wat doe je in zo’n geval als surrogaat opvoeder? In zo’n geval gooi je gewoon al je principes overboord en neem je met een brok in je keel van dankbaarheid en ontroering je cadeautje in ontvangst..

In werkelijkheid noemen de begeleiders “El Flaco” en “de Nieuweling” bij hun ware namen. Het bovenstaande verhaal heeft zich afgespeeld in augustus 2003 en van de kleinste doerak is men in januari 2004 nog steeds elk spoor bijster. Eind oktober 2003 heeft El Flaco na een zware strijd met zichzelf besloten om het opvangcentrum opnieuw te verlaten en terug te keren naar de straat. Proniño onderhoudt zo veel mogelijk contact met hem en er is een gerede kans dat hij terugkomt om opnieuw een toekomst te zoeken.

Cristian was eind november 2003 bij de eerste groep kinderen die verhuisden naar La Montaña, het minidorpje waar de kinderen naar school kunnen, een vak kunnen leren, en kunnen opgroeien. Hij was de allerbeste leerling in de vakopleiding, maar vlak voor kerst heeft hij toch besloten om weer naar San Pedro Sula te vertrekken, waar zijn grote broer rondscharrelt. Ook hij is weer welkom bij Proniño. De Nieuweling gedijt al sinds de eerste dag als een vis in het water en gaat nu officieel naar de net geopende school op La Montaña. Hij kan inmiddels zijn naam schrijven en al veel meer!

20030403Het voorval dat hier geschetst wordt is geen alledaagse situatie. De meerderheid van de kinderen blijven net als de Nieuweling bij Proniño en leren met vallen en opstaan weer genieten van het leven en geloven in de toekomst die hen daar geboden wordt. Niettemin is het voor een deel van de straatjeugd nou eenmaal moeilijk om de vrijheid van het “buitenleven” en de “geneugten” van de drugs in te ruilen voor een leven met regelmaat en opleiding. Van jarenlang verwaarloosde kinderen en pubers kan onmogelijk verwacht worden dat ze altijd en meteen een weloverwogen en verstandige keus maken voor hun toekomst.

De begeleiders van Proniño, op hun beurt, leren steeds beter zorg verlenen, waarbij liefde en compassie zwaarder wegen dan kennis uit westerse boekjes. De eerste groep van 28 ex-straatkinderen gaat inmiddels bij hen naar school en leert een vak; met de volgende groep wordt momenteel op straat een vertrouwensband gesmeed, zodat die, wanneer ze er klaar voor zijn, ook kunnen beginnen aan het rehabilitatieproces.

’s Avonds als ik knus op de bank zit met een kop thee en ik moet aan Flaco denken, flitsen me beelden voor ogen van een tot beest gereduceerd mensje in die gore “Pasaje”, met twee kartonnen dozen als huis. Van “Pioneer” natuurlijk. Maar ik hoef slechts één blik op mijn bureau te werpen om een glimmende F16 naar me te zien knipogen, en dan weet ik weer waarom we dit werk doen. Licht en Liefde.

Tranen op een politiebureau

10 augustus 2003, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20030301Dit is het vervolg op het verhaal waarin begeleidster Aurora, de twee tandartsvrouwen, en Bas samen op zoek gaan naar de drie vermiste doerakken.

San Pedro Sula, 500.000 inwoners, drie weggelopen kereltjes…en daar slenteren er twee! Terwijl ik langs de zijkant van de kerk loop zie ik twee bekende hoofden net boven een muurtje uitsteken, aan de overkant van de straat. Een golf van warm geluk stroomt door me heen. Dan slaat de schrik me om het hart. Willen ze me wel zien? Misschien smeren ze hem meteen! Ik moet bukken! Mijn hart giert in mijn keel en zonder nadenken werp ik me blindelings in het verkeer van San Pedro Sula’s drukste straat, alles of niets..

Voor ik er erg in heb sta ik oog in oog met “El Flaco” en zijn vriendje. El Flaco betekent “De Dunne” in het Spaans. Het is een toepasselijke bijnaam voor deze bonenstaak die ondanks vier maanden oplappraktijken bij de mensen van Proniño nog steeds vel over been is. De jongens zijn blij verrast als ze me zien maar in mijn paniek bega ik een blunder en grijp ik El Flaco bij zijn lurven, uit angst dat beide kinderen er anders tussenuit piepen.

De grote grijns op hun gezichten versteent, en het kleinste jongetje spurt lenig als een hazewindhond weg, om binnen luttele tellen op te gaan in een ondoordringbare massa van marktkooplui, keuvelende buurvrouwen en scholieren. El Flaco ontkomt niet aan mijn ijzeren greep en tot mijn vreugde blijkt zijn tegenstribbelen meer symbolisch dan overtuigd.

“Is hij dan stiekem toch heel blij dat we hem helemaal hier zijn komen zoeken?” flitst het door me heen.

Dat zal best maar ondertussen is de scène die zich afspeelt tussen de grote blanke man en het kleine bruine jongetje natuurlijk een garantie voor vertier en al gauw worden wij omringd door wel honderd nieuwsgierige San Pedro Sulenaren. Niemand weet zich raad met de situatie. De menigte twijfelt duidelijk of ik een duivelse kidnapper ben die het gemunt heeft op het leven van El Flaco, of dat ik de reddende engel ben voor een anders tot verdoemenis veroordeeld diefje, terwijl ik me op mijn beurt loop af te vragen of ik me nou bedreigd moet voelen door alle oplettende blikken of juist beschermd.

De politie brengt raad. Drie man sterk komen zij aangehobbeld en in rap gebroken Spaans leg ik uit dat ik als vrijwilliger bij Proniño werk en Flaco ben komen zoeken omdat ik in hem geloof en hem zo graag een kans op een toekomst wil helpen bieden. Er breekt iets in de jongen. Hij barst in tranen uit, om vervolgens spontaan mijn hand beet te pakken en gedwee mee op te lopen.

20030302Tellen later zitten we in het politiebureau. Twee stoeltjes, een bureautje dat lijkt overgewaaid uit communistisch Rusland, waarop trots een typemachine uit de zestiger jaren prijkt, en tot mijn ergernis een oeroude ventilator die krakend van vermoeidheid rondjes draait aan het plafond om een zuchtje koelte te brengen in de verzengende hitte. Het helpt niet. Een zweempje frisse lucht kan niet opboksen tegen de frustratie die het gekraak van het antieke apparaat teweeg brengt.

“Flaco we houden van jou, we zijn hier met zijn vieren om je naar huis te brengen, op straat ga je dood, van de lijm of van de klappen, we houden van jou hoor!”

Op mijn knieën zit ik voor het kind in die ondraaglijke hitte, er zorg voor dragend dat ik tegen hem opkijk en niet andersom, scherp gadegeslagen door de drie politieagenten, die erg druk worden van mijn aanwezigheid.

“Hij houdt van die jongen als een vader van zijn zoon”, floept één van de mannen er spontaan uit.

El Flaco, die sinds mensenheugenis geen vader meer heeft, vervalt in een hartverscheurende huilbui en mijn woorden verstommen schokkend in mijn keel. We denken aan hetzelfde, en we weten wat: twee weken eerder had Flaco na een spannend kussengevecht met mij, dat ik overigens nipt verloren had, voor het eerst voldoende moed bij elkaar geschraapt om een aftastend gesprekje aan te knopen.

Toen ik hem tussen de kussenklappen door vertelde dat mijn eigen vader overleden was op mijn negende, had hij blijkbaar besloten dat ik dankzij die overeenkomst net genoeg vertrouwen verdiende om een kort kijkje in zijn zielenroerselen te mogen nemen.

Ondertussen zit chef politie druk orders te roepen in zijn walkie talkie:

“Er is hier een Amerikaan van Proniño met een kind, over”

“Hij zoekt er nog twee, over”

“Stuur nu een patrouille voor versterking, over.”

Nou moe, een hele patrouille voor twee straatschoffies en dat in een land waar bepaalde politieagenten er om berucht staan diezelfde kindertjes gewoon dood te schieten als hen dat zo uitkomt! (voor informatie hierover, zie www.casa-alianza.org, red.). Instinctief besluit ik om even Amerikaan te blijven. Wilde fantasieën over de FBI en de Amerikaanse ambassade maken waarschijnlijk meer indruk op dit soort mannen dan Balkenende en consorten.

Inmiddels hebben lerares Aurora en de tandartsdames zich weer bij ons gevoegd met Cristian in hun kielzog. Apetrots dat we blijkbaar echt zo veel om hem geven dat we hem gevieren zijn komen zoeken, voert hij het hoogste woord terwijl hij de politieagenten uitdagend aankijkt, zich er scherp van bewust dat die hem poeslief zullen behandelen zolang de Proniño mensen er bij zijn.

Opnieuw tijgen we naar het obscure parkje. Ditmaal worden we vergezeld door een klein regiment zwaar bewapende politiemannen, om te gaan zoeken naar de laatste vermiste doerak.

Hij is natuurlijk in geen velden of wegen te bekennen, maar al gauw komt onze kleine vriend weer aanrennen, die nog geen uur geleden hangend aan mijn been een smeekbede had gehouden om toch alsjeblieft maar ontvoerd te worden naar wat hij als het grote Proniño Paradijs beschouwt. Ditmaal heeft hij al zijn zinnen gezet op Aurora, die hij uit alle macht vastklampt.

“Señora, Señora!”, klinkt het schelle kinderstemmetje.

“Ik ben superlief en ik kan al heel goed mijn eigen bed opmaken en ook mijn tanden poetsen hoor, kijk maar!”

Spontaan gunt hij ons een blik in zijn wijd open gesperde mond. Beelden van een keurmarkt voor vee flitsen voor mijn netvlies langs en opnieuw word ik me pijnlijk bewust van de hopeloze situatie waarin meer dan honderd miljoen kinderen op aarde verkeren. Overgelaten aan hun lot, overgelaten aan de grillen en welwillendheid van de volwassenen om hen heen.

Ook Aurora weet niet goed raad met de situatie en als we even later op aanraden van de parkjongeren naar “El Pasaje” (De Doorgang) scheuren ziet het jochie zijn kans schoon en springt lenig in de achterbak van de politietruck.

20030303Samen met El Flaco en een agent kom ik bij de tandartsvrouwen in de auto terecht, op weg naar wat bekend staat als één van de meest ontoegankelijke wijken van deze levensgevaarlijke stad. We rijden achter de patrouille. De tandartsen zijn bang, ze vergrendelen de deuren van hun auto. De agent staart stoer voor zich uit, af en toe iets onverstaanbaars mompelend in zijn walkie talkie, en ik verdenk hem er van dat hij indruk wil maken op de dames.

De jongens, Cristian, Flaco en de nieuweling, beschouwen het uitje als een weldaad van aandacht en verwennerij. Flaco joelt met pretoogjes. Cristian en de Nieuweling zitten broederlijk met drie politieofficieren in de bak van de pick-up, alsof ze de dikste vrienden zijn.

Zelf doe ik mijn best om kalmte uit te stralen, maar ik voel de vibraties van het avontuur door mijn huid heen dringen en bezit nemen van mijn gemoed, dat op en neer deint in de golven van de elkaar in hoog tempo overtreffende evenementen. Wanneer Cristian en de nieuweling plots geestdriftig gebarend in dezelfde richting wijzen, slaat de spanning om in rumoerig tumult, en kunnen de tandartsvrouwen ternauwernood een botsing met de patrouillewagen voorkomen.

De agenten grijpen hun mitrailleurs. Dit kan niet waar zijn. Elkaar verdringend springen ze haastig uit de truck, manoeuvrerend met hun geweren in de aanslag en aanwijzingen schreeuwend tegen het publiek. Ik geloof het gewoon niet..

Noooooooit ga ik meer bij jullie weg!

14 juli 2003, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20030201“Nooooooiiiiittt ga ik meer bij jullie weg, weet je dat?” Cristian hangt met zijn hoofd in mijn nek terwijl hij het zegt, maar vermijdt mijn blik.

Tielke Ausems, onze secretaris, heeft tijdens haar bezoek aan het project besloten om alle kinderen op een gebitsrenovatie te trakteren. Wie in de goot woont is meestal net iets te druk met overleven om ook nog zijn tanden te poetsen en Cristian met zijn jarenlange straatcarrière voert met misplaatste trots de lijst aan met zestien (16!!) gaatjes en twee rotte kiezen.

Tja, dan verdien je wel een uitje tussen twee spuiten door, dus samen gaan we naar het internetcafé om de Homeless Child website te bekijken. Net als de meeste van onze kinderen kan hij lezen noch schrijven, maar blijkbaar weerhoudt dat hem er niet van om met volle teugen te genieten en ik zie het vuur in zijn ogen oplaaien als ik uitleg dat mensen in een heel ver en rijk land nu kunnen zien hoe hij woont, dat sommige van die mensen zelfs een beetje van hun geld of tijd geven omdat ze het oneerlijk vinden dat hij, Cristian, al sinds zijn vijfde op karton slaapt en schoenlijm snuift om de hongerkramp te verdoezelen.

“Ik ga noooooooiiiiittt meer bij jullie weg” herhaalt hij. Natuurlijk geloof ik dat dus laat ik hem in zijn eentje het blok naar de tandkliniek lopen; dan kan ik zelf nog even lekker e-mail ophalen. Dat bleek naïef.

Als ik een kwartier later terugkom bij de tandarts blijkt de jongen daar niet te zijn. Overtuigd van zijn goede wil loop ik doodgemoedereerd een blokje om, in de veronderstelling dat het arme schaap verdwaald is en nu moederziel verloren ergens zit te wachten tot zijn reddende engel uit Holland hem komt halen. Ook dat bleek naïef.

Cristian komt uit de grote buurstad San Pedro Sula en de verleiding bleek te groot, hij wordt teruggezogen naar de vrijheid van de straat, terug naar de verrukking van de narcotica, ook als dat betekent geen bed, geen toilet, geen eten, opnieuw klappen, opnieuw bedelen…..

Al zoekende begin ik te beseffen hoe groot de consequenties van mijn actie zijn, en met hangende pootjes loop ik naar kantoor om hulp in te schakelen. Hoe leg je dat uit? Iedereen maakt fouten en je kunt van alles kwijtraken, je bril, je sleutels, zelfs je auto. Maar een kind..een kind dat verlies je toch niet? Blijkbaar wel dus.

20030202Tot overmaat van ramp herhaalt het tafereel zich drie dagen later wanneer opnieuw twee jongetjes er tussenuit piepen terwijl de directeur, die speciaal was meegekomen om een oogje in het zeil te houden, even gaat plassen en de tandarts met haar hoofd boven het zoveelste gaatje van het zoveelste kind hangt.

Gelukkig is de rest van de club inmiddels stabiel genoeg. Al worden ze onrustig, ze geven zich niet meteen over aan rebellie of wegloopneigingen. In het opvangcentrum, Las Flores, woont sinds een paar maanden de eerste groep van 25 kinderen, die daar voorbereid worden op een leven met regelmaat en structuur, een leven met school en beroepsopleidingen. Vanaf het moment dat ze opstaan tot ze naar bed gaan krijgen ze bezigheidstherapie om niet aan de lijm of andere drugs te denken, om aandacht en concentratievermogen te vergroten, gevoel voor eigenwaarde te ontwikkelen en de wereld weer kleur te geven.

Voor de overgrote meerderheid blijkt dit systeem te werken. Het is zo magisch om mee te mogen maken met hoeveel frivoliteit de gemiddelde tienjarige zich overgeeft aan het kind zijn en verwikkeld raakt in eindeloze knikkercompetities of “wie-kan-het-mooist-zijn-naam-schrijven” spelletjes, dat je haast zou vergeten dat ze stuk voor stuk in de goot hebben gewoond, opgejaagd als wilde dieren door volwassenen.

Door de winkeleigenaar die ze in elkaar slaat omdat ze een appel stalen tegen de hongerkramp, door de politie, die op haar beurt opgejaagd wordt door de winkeleigenaar en zich verplicht voelt om “die rotduivels” uit de weg te ruimen, door een bendelid vol tatoeages die dreigt ze lek te steken als ze niet genoeg bedelgeld voor hem bij elkaar schrapen, door de pedofiel die ze een handje wisselgeld geeft in ruil voor seks.

Overlevingsseks heet dat. De omvang hiervan is moeilijk vast te stellen, maar het feit dat in onze groep van 25 slechts één meisje zit spreekt boekdelen. Zo lang er nog enige familiale banden bestaan worden meisjes meer van de straat gehouden dan jongens, maar zodra ze zich blootstellen aan de gevaren van de straat vallen ze vaak ten prooi aan een netwerk van prostitutie waar ze vervolgens haast niet meer uit te halen zijn. Dat wil niet zeggen dat de jongens niks te vrezen hebben. Ik heb gehoord dat één van de onze altijd op klaarlichte dag heupwiegend over het plein paradeerde met een handtasje losjes over zijn schouder en een opgemaakt gezicht. Het kind is twaalf.

Ondertussen zijn de drie doerakken dus zoek. Omdat de twee vrouwelijke tandartsen net zo bezorgd zijn als wij en zich onwillekeurig ook een beetje verantwoordelijk voelen, stappen begeleidster Aurora en ik samen met hen in de auto. Op naar San Pedro Sula, op naar “onze” koters.

Maar hoe doe je dat? Hoe vind je een kind? Waar begin je met zoeken in een stad van meer dan 500.000 inwoners, waar naar schatting zo’n 1.500 minderjarigen door de straten schuimen in wijken die onder gewapend bewind staan van vervaarlijke bendes, en die daarom ontoegankelijk zijn voor ons?

Voor we vertrokken had Aurora inlichtingen ingewonnen bij een paar van onze meest doorgewinterde ex-straatschoffies, en die verwezen unaniem naar “het parkje”. Het zou de centrale ontmoetingsplaats zijn voor de groep waar ze zich het meest mee ophielden.

Dat zogenaamde parkje bleek een obscuur, braakliggend terrein te zijn, gekraakt door een stuk of vijftien kinderen van zo’n acht tot zestien jaar. Er was een vuurtje gestookt, volstrekt onnodig op klaarlichte dag in een stad waar het hele jaar door de thermometer niet onder de 30 graden komt. Er ging een fles drank rond. De helft had een zakje lijm aan de mond hangen en allemaal staarden ze ons strak aan, hun ogen gevuld met dreiging en angst.

20030203Ook wij zijn bang. Gedurende oneindige seconden vertekent een voelbaar veld van spanning onze blik, tot één van hen de status quo doorbreekt met een onzekere glimlach en een paar voorzichtige passen in onze richting. Dappere Aurora stapt door een gat in het hek, met de tandartsvrouwen en mij in haar kielzog.

“Hoewist?”, vraagt de brutaalste met een typische straattongval.

“En jij?”, antwoord ik stoer. Het komt er belabberd uit; straatkindertaal klinkt nou eenmaal niet uit de mond van grote witte mannen met een zwaar buitenlands accent. De jongen kan mijn poging gelukkig waarderen en als het ijs gebroken is vragen we nieuwsgierig naar de drie doerakken.

Ondertussen klampt één van de kleinste kindertjes zich aan mij vast.

“Meneer, meneer, zijn jullie van Proniño?”

Verrast dat het jochie de naam van het project uit de kleinere stad een half uur verderop kent, kijk ik hem met lichte argwaan aan.

“Ja, wij zijn van Proniño jongen”

“Meneer, meneer, mag ik dan met jullie mee?”

Ik ben verward omdat er te veel gebeurd. Aurora en de tandartsen zijn met een paar kinderen in een druk gesprek verwikkeld over de mogelijke verblijfplaats van Cristian en consorten. Een ventje loopt het vuurtje op te stoken. Een jongen en meisje van hooguit dertien lopen uitdagend te tongelen, hopend dat wij geschokt reageren.

“Waarom wil je mee dan?” vraag ik hem.

“Omdat het bij jullie gaaf is, bij jullie is het supertof!”. Hij floept het er vol overtuiging uit en mijn argwaan slaat om in dankbaarheid. Nieuwsgierig vraag ik hem waarom hij dat vindt.

“Nou, mijn beste vriend woont daar en die heeft het gezegd! Denis, die kent u wel hè? Denis woont bij jullie. Denis is mijn allerbeste vriend en hij is de beste voetballer van de stad maar ik ben het tweetst best hoor meneer, mag ik met jullie mee? Want Denis heeft hier ook bij mij in het park gewoond en die is nu bij jullie dus dan mag ik toch ook wel komen toch? Ik eet niet veel hoor, ik ben pas net negen. Oh ja, en ik ben heel rustig.”

Die laatste opmerking is in elk geval ver bezijden de waarheid en uit het veld geslagen door de spraakwaterval werp ik een vluchtige blik naar begeleidster Aurora. Ook zij zet een wat bedenkelijk gezicht op; de situatie is al chaotisch genoeg en het is nogal wat om een kind zomaar van de straat te plukken in de buurstad.

“Nu nog maar even niet joh”, wimpel ik hem af, terwijl me een kriebelend schuldgevoel bekruipt. 100 miljoen straatkinderen zijn er naar schatting in de wereld. Vijfentwintig daarvan zijn nu bij ons, kunnen we een kleine 26ste er echt niet bij hebben?

De tandartsvrouwen plukken me enthousiast uit mijn overpeinzingen. Onze jongens zitten vermoedelijk bij de kathedraal, in het stadsplein.

Het plein is zo immens dat we besluiten ieder een deel voor onze rekening te nemen. De twee tandartsen claimen de noordzijde, terwijl Aurora het midden begint uit te kammen en voor mij het stuk overblijft dat direct aan de kathedraal grenst. Een drukte van jewelste is het. Verschrompelde mannetjes hebben bezit genomen van de verroeste stalen bankjes die strategisch in de lommer van de bomen zijn geplaatst om hun domino competities te kunnen beslechten. Kinderen in schooluniform lopen te keten, terwijl straatverkopers proberen de meest uiteenlopende waar te slijten. Antennes kun je hier aanschaffen. Geplukte kippen, plastic riemen, gebrande cd’s van ABBA in het Spaans, kranten, lootjes. Vooral veel lootjes. Hoe armer een volk, hoe beter de lootjesindustrie gedijt, want hoop doet leven, en consumeren.

Hemel op aarde?

26 juni 2003, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20030101Ruzie. Dat is wat ik miste! Ik zit al twintig minuten domino te spelen en er is geen onvertogen woord gevallen, geen mep uitgedeeld, geen steen gegooid.

Een jaar geleden bestond mijn werk uit het voorkomen van slacht- en moordpartijen tussen twaalfjarigen en nu zit ik met precies diezelfde kinderen lieflijk een gezelschapsspelletje te doen.

Ik kijk nog eens goed om me heen, het zijn toch echt dezelfde koppen, dezelfde Sami, dezelfde Walter. Vandaag lachen ze en ruiken ze naar limoenzeep. Vorig jaar was het janken en stinken geblazen.

Wat is er gebeurd? Is het echt zo simpel? Huisje bouwen, kindertjes dumpen, probleem opgelost? Nee, zo simpel is het niet, naarmate de tijd verstrijkt ontdek ik beter hoe ernstig de problemen zijn waar we tegen aanlopen, hoe onmenselijk diep deze kinderen gezonken zijn en hoe gigantisch veel kracht het kost om ze te helpen weer op adem te komen.

Nadat ik welgeteld drie dagen ervaring heb lopen opdoen in het opvangcentrum Las Flores, wordt nachtwaker Francisco geplaagd door een griepje en met overmatig beginnersenthousiasme bied ik aan om die nacht samen met hem over te blijven.

Het mag, en een uurtje later kom ik vrolijk aangehobbeld, met onder mijn arm een handdoek en de autobiografie van Mahatma Gandhi, in de naiëve overtuiging dat ik net als vroeger op een soort spannend schoolkamp ben beland en na het douchen stiekem met een zaklamp in mijn eigen knusse slaapkamertje nog wat kan lezen, terwijl op de achtergrond het rustgevend rytmische gebrom van 25 vreedzaam slapende ex-straatkinderen mij langzaam doet wegsoezen.

Al gauw bleek dat dit een ietwat romantische voorstelling was van wat een Spartaanse nacht blijkt te gaan worden.

“Wat was je met dat boek van plan?” vraagt een snotterend lachende Francisco.

“Nou ja, meestal lees ik wel graag nog een beetje voor het slapen gaan” , antwoord ik, terwijl de eerste argwaan zich van mij meester maakt.

“Maar Bas, je ligt bij de kinderen in de slaapzaal, het licht gaat om negen uur uit”.

“s Avonds ?”, is het enige dat ik met stomheid weet uit te brengen….

“Ja, ’s avonds, maar je mag kiezen of je bij de grote jongens wil of bij de kleine”

Omdat ik toen nog niet besefte dat een bende grote jongens bij elkaar gepropt in een slaapkot in de tropen een stuk erger stinken en snurken dan een bende kleine jongens, en ik nog in de veronderstelling leefde dat heel misschien bij de grote jongens het licht wat later uit zou gaan zodat ik toch nog een hoofdstukje Gandhi kon meesmokkelen, was de beslissing vlug genomen.

“Francisco, ik slaap bij de grote jongens, want die zijn vast moeilijker in de hand te houden en kunnen wel wat extra begeleiding gebruiken !”

Toen ik even later een verkwikkende douche wilde nemen om fris en vroeg mijn bed in te duiken, speelde zich opnieuw een pijnlijk tafereeltje af.

Weer was daar Francisco met die licht sarcastische blik in zijn ogen en een lach die vaag om zijn mondhoeken zweefde. “Bas, waar ga jij heen met die handdoek?”

“Nou, het leek me wel prettig om nog even het werkzweet van mijn lijf te boenen voor ik mijn bed in duik, anders riek ik als enige zo tussen al die koters.”

De vage lach gaat over in een grote grijns als hij vertelt dat we ’s avond geen stromend water hebben, dus als ik me wil ‘douchen’ kan dat met een pannetje water bij de wasbak achter het gebouw, waar precies op dat moment een twintigtal ketende jongetjes in hevige watergevechten verwikkeld zijn…

Tja, me dunkt dat die zo ook niet echt schoon achter de oren worden en de zin tot wassen vergaat mij al vlug bij het aanschouwen van de stoeipartijen. Een kwartiertje later bevind ik mij ongewassen maar met de moed der dwazen in de slaapzaal.

20030102Ik lig naast Sami en plots schieten de herinneringen als scherpe plaatjes over mijn netvlies. In een flits word ik een jaar teruggeworpen in de tijd, toen Las Flores nog niet bestond en hij en zijn vriendjes op straat zwierven. Daar zie ik hem weer, slapend op een stuk karton in het portiek van de bakkerij, waar hij de vorige nacht is gaan liggen in de hoop een stukje brood te krijgen bij de opening. Hoop die meestal verbrijzeld wordt met een trap tegen zijn kont of een emmer water over zijn hoofd. Sami, rillend van de kou in een tropische storm, zodat hij tegen me aan komt hangen voor wat warmte die ik hem niet kan geven, omdat zijn doorweekte vodden me net zo koud maken als hem. Sami, brullend van onmacht en pijn op een stoepje, omdat hij in elkaar geslagen is door een volwassene die hem zijn bedelopbrengst heeft afgepakt om er drank van te kopen. Sami was elf.

Nu is hij twaalf en heeft hij in opvangcentrum Las Flores zijn eigen bed gekregen, met zijn foto aan de muur zodat hij zeker weet dat het echt zijn bed is en dat van niemand anders. In de veronderstelling dat hij al slaapt doe ik stiekem één oog open om te kijken of hij misschien wel een glimlach van geluk om zijn lippen heeft zweven. Hij blijkt echter op hetzelfde moment ook nieuwsgierig naar mij te liggen kijken en gedurende enkele ongemakkelijke seconden staren we elkaar zwijgend in de ogen. Als kind kent Sami de minste gêne van ons beide en met een stralende grijns doorbreekt hij de stilte, slingert zijn arm de lucht in en ontmoet daar de mijne in een stevige high five. Vijf minuten later hoor ik hem zachtjes snurken.

Een West Europees kind zou sterven van verdriet waar Sami woont. Sami heeft geen playstation, geen eigen slaapkamer, geen zakgeld of een mobiele. Geeneens ouders heeft hij. Hij heeft wel een paar nikes maar toen hij die kreeg stonken ze een beetje naar het zweet van de Amerikaanse puber die ze had afgedankt, en één van de zolen moest gelijmd worden.

Toch is Sami meestal gelukkig, ik zie het in zijn ogen telkens als ik naar hem kijk. Hij krijgt drie keer per dag te eten en ook nog eens drie keer per dag een tussendoortje. Soms een mango of een sinasappel, of als we haast geen eetgeld meer hebben een lolly of een koekje. Er is gezuiverd water zodat hij geen cholera of tyfus meer kan krijgen, en als hij toch nog ziek wordt brengen we hem naar de dokter. Hij kan voetballen, tekenenen met viltstiften, en twee keer per dag is er een paar uur stromend water zodat hij kan douchen.

En wat nog veel belangrijker is, hij wordt nooit meer in elkaar geslagen door gemene grote mannen. Hij hoeft niet meer bang te zijn dat hij misschien wel verkracht wordt terwijl hij moederziel alleen ligt te slapen in een duister parkje. In Las Flores krijgt hij een knuffel als hij er één wil, en zoniet dan is het ook goed. Als hij lang genoeg bij ons blijft wonen, leren we hem schrijven en rekenen, en omdat hij met zo veel westerlingen in aanraking komt krijgt hij zelfs engelse les en een computercursus, een luxe die de meeste kinderen in Honduras ontberen.

Laatst zei hij het tegen me, in een serieus moment. “Bas ik blijf hoor, het is hier hardstikke gaaf man!”