Dit is het laatste deel van het verhaal waarin begeleidster Aurora, de twee tandartsvrouwen, en Bas samen op zoek gaan naar de drie vermiste doerakken.
“Neen!” een paniekgolf stroomt door mijn buik. “Neen, je kunt toch niet als een stel gewapende gekken een weggelopen kind achterna gaan? Je kan toch niet zomaar je geweer trekken en er in het wildenweg op los schieten in een onschuldige menigte?”
Pas na enkele tellen ontwaak ik uit mijn roes en begint het me te dagen dat het politieregiment het niet gemunt heeft op één van de Proniño kinderen maar op een man; een dikkige, besnorde kerel die een belachelijke poging doet om weg te duiken achter zijn pietluttige schoenmakersleest.
“Waarom vallen ze die vent aan? We zouden onder begeleiding een jongetje gaan zoeken in een foute buurt en plots is iedereen in rep en roer om een schoenlapper?” denk ik verbaasd, terwijl ik behoedzaam uit de tandartsauto stap en aan Cristian vraag wat er gaande is.
“Ja Bas man, weet je wel wie dat is, die vent daar met die lap haar onder zijn neus?” zegt hij vol verontwaardiging. Mmm, nee, dat weet ik natuurlijk niet want als ik mij hier ooit in mijn eentje als blanke begeven had zou ik het niet hebben kunnen navertellen.
“Nou, wie dan?” vraag ik nieuwsgierig.
“Ja, Bas jongen, dat is die gemene schoenmaker die ons altijd lijm verkoopt en dat is verboden maar hij doet het toch en het is nog hartstikke duur ook want hij weet dat we heus wel komen als we zonder zitten!”
En zo stuit ik dan in levenden lijve op de spil van het lijmprobleem dat de straatjeugd van alle arme landen teistert. Op de website van Casa Alianza staan een aantal interessante feiten vermeld over het hoe en wat in de lijmwereld. Casa Alianza werkt in verschillende Latijns Amerikaanse landen aan het verbeteren van het lot van straatkinderen en rapporteert aan de Verenigde Naties over het schenden van de fundamentele rechten van deze jonge, door alles en iedereen verlaten mensen.
Volgens Casa Alianza verkopen (westerse) lijmfabrikanten via hun distributiekanalen ruim 100 miljoen liter schoenlijm per maand aan verslaafde kinderen in Latijns Amerika. Een aardige, en legale, winstpost.die als sneeuw voor de Zon verdwijnt zodra ze een equivalente lijm op waterbasis fabriceren. Die plakt namelijk weliswaar even goed, maar is niet te snuiven.
Via groothandels komt de lijm bij schoenmakers terecht die het blijkbaar zonder schroom of scrupules doorverkopen aan 8 of 10 of 12 jarige snuivertjes, die het op hun beurt gretig hun longen inzuigen, tot ze te ziek zijn om nog te stelen of hoereren om het benodigde kapitaaltje voor weer een potje lijm bij elkaar te schrapen, of tot ze dood neervallen van een overdosis.
Daar sta ik dan oog in oog met zo’n “dealer”, die onder hoongelach van de omstanders en applaus van onze kinderen in de kraag gevat wordt en in de boeien geslagen tussen twee agenten ingeklemd op de achterbank van de patrouillewagen neerploft.
Gezamenlijk zetten wij de reis vrolijk voort, met ons telkens bonter wordend gezelschap.
Zo zijn daar drie verwilderde jongetjes: Flaco de bonenstaak, Cristian de trotse puber, en de onverzettelijke Nieuweling, die vastbesloten is om zich tegen elke prijs bij het Proniño Paradijs naar binnen te vechten. Ik doe een poging om in zijn huid te kruipen, maar kan me slechts een vage voorstelling maken van zijn drang tot overleven. Wat gaat er om in een kind van negen dat zo weinig te verliezen heeft dat het zich opdringt aan een stel onbekende volwassenen? Waar een westers kind van die leeftijd alle contact met vreemden zou schuwen, legt dit jochie zijn lot vol geestdrift in onze handen. De Nieuweling heeft geen vader. Ook geen moeder. Misschien een handjevol broertjes en zusjes die hij kwijt is. De Nieuweling heeft alleen zijn eigen leven te verliezen, dus kan hij alles in de waagschaal leggen om er nog iets van te maken.
Verder bestaat de groep uit een zestal norse officieren, opgejut door de aanwezigheid van die Amerikaan van FBI allooi, waar ik wijselijk nog steeds voor door ga. Dan zijn er drie dames in ons midden. Dappere Aurora, die als eerste op de kinderen in het obscure parkje afstapte. De twee tandartsen, die weliswaar angstvallig om zich heen kijken en de deuren goed vergrendeld houden, maar toch het initiatief hadden genomen om deze zoektocht op touw te zetten. Tenslotte, sinds zojuist, de ambachtsman die een deel van zijn brood verdient met de verkoop van derde wereld drugs.
Gezamenlijk begeven we ons naar El Pasaje, de doorgang waar de laatste vermiste doerak zich vermoedelijk ophoudt. No man’s land. De politie stopt. De tandartsen blijven in hun auto met de deuren potdicht maar Dappere Aurora stapt statig uit. Ik ook, zij het iets minder statig.
Vijandige blikken vallen ons ten deel van omstanders, die samendringen om als het ware in elkaar op te gaan en zo een front te vormen tegen de bedreigende aanwezigheid van de officieren. Als de arm der wet tot hier doordringt betekent dat zelden iets goeds.
De agenten grijpen hun knuppels steviger vast. Ik loop achter hen aan, ongewapend en kwetsbaar, terwijl Aurora bescherming zoekt bij de auto. De enige die hier de weg nog kent is Cristian, en stoer neemt hij het voortouw, af en toe amicaal de hand schuddend van “kennissen” die ik er stilletjes van verdenk dat ze mijn strot zouden doorsnijden als Cristian er niet was om mij te beschermen. De omgekeerde wereld. Het voelt macaber comfortabel.
El Pasaje. Een steegje is het. Smerig, stank, mensenstront op straat, gangleden. Een hoogzwangere vrouw ligt halfnaakt en verdwaasd met een lijmzakje aan haar mond op een bed van twee lagen karton waar “Pioneer” op te lezen staat. Haar borsten staan op springen. Haar huid lijkt prachtig gebruind, of is dat opgehoopt straatvuil dat zich in alle poriën van haar lichaam heeft verankerd? Karton van “Pioneer”. Zou ze een gejatte stereotoren hebben gesleten en het omhulsel gebruiken als huis? Zal ik het haar vragen? De situatie is zo overweldigend dat ik me afsluit voor de werkelijkheid en gebiologeerd raak door de vreemdste details.
De doerak is onvindbaar. De Nieuweling daarentegen doet zijn aanwezigheid sterker gelden dan ooit, want hij weet dat voor hem het uur van de waarheid is aangebroken. Mag hij mee of niet? Het mag. Natuurlijk mag het! Aurora en ik blijken niet opgewassen tegen zijn charmeoffensief en de politie is al lang blij dat zo een ontluikende criminele carrière in de kiem gesmoord wordt.
Gezevenen rijden we in de krappe Japanner van de tandartsdames terug naar opvangcentrum Las Flores, zegevierend omdat twee doerakken weer in ons midden zijn, ongerust om het lot van de derde. Flaco en Cristian gaan gauw weer op in de groep.
De Nieuweling wordt in zijn Proniño Paradijs herenigd met zijn beste straatvriendje Denis, en blijkt inderdaad een aardig balletje te kunnen trappen. Na een paar dagen wenkt hij mij met een samenzweerderig gebaar naar een discreet hoekje, zodat niemand de geheime transactie kan gadeslaan waar ik deelgenoot in word. Plechtig moet ik mijn ogen dicht doen en eeuwige zwijgplicht zweren.
“Voor jou”, fluistert hij triomfantelijk, terwijl hij een miniatuur exemplaar van een F-16 van de US Air Force tevoorschijn tovert en in mijn handen drukt.
Omdat je me gered hebt!”
Ik ben er van overtuigd dat het glimmend opgepoetste vliegtuigje niet op geheel rechtmatige wijze in mijn handen is geland, maar ingenieus ontvreemd is uit de algemene speelgoedbak. Tja, wat doe je in zo’n geval als surrogaat opvoeder? In zo’n geval gooi je gewoon al je principes overboord en neem je met een brok in je keel van dankbaarheid en ontroering je cadeautje in ontvangst..
In werkelijkheid noemen de begeleiders “El Flaco” en “de Nieuweling” bij hun ware namen. Het bovenstaande verhaal heeft zich afgespeeld in augustus 2003 en van de kleinste doerak is men in januari 2004 nog steeds elk spoor bijster. Eind oktober 2003 heeft El Flaco na een zware strijd met zichzelf besloten om het opvangcentrum opnieuw te verlaten en terug te keren naar de straat. Proniño onderhoudt zo veel mogelijk contact met hem en er is een gerede kans dat hij terugkomt om opnieuw een toekomst te zoeken.
Cristian was eind november 2003 bij de eerste groep kinderen die verhuisden naar La Montaña, het minidorpje waar de kinderen naar school kunnen, een vak kunnen leren, en kunnen opgroeien. Hij was de allerbeste leerling in de vakopleiding, maar vlak voor kerst heeft hij toch besloten om weer naar San Pedro Sula te vertrekken, waar zijn grote broer rondscharrelt. Ook hij is weer welkom bij Proniño. De Nieuweling gedijt al sinds de eerste dag als een vis in het water en gaat nu officieel naar de net geopende school op La Montaña. Hij kan inmiddels zijn naam schrijven en al veel meer!
Het voorval dat hier geschetst wordt is geen alledaagse situatie. De meerderheid van de kinderen blijven net als de Nieuweling bij Proniño en leren met vallen en opstaan weer genieten van het leven en geloven in de toekomst die hen daar geboden wordt. Niettemin is het voor een deel van de straatjeugd nou eenmaal moeilijk om de vrijheid van het “buitenleven” en de “geneugten” van de drugs in te ruilen voor een leven met regelmaat en opleiding. Van jarenlang verwaarloosde kinderen en pubers kan onmogelijk verwacht worden dat ze altijd en meteen een weloverwogen en verstandige keus maken voor hun toekomst.
De begeleiders van Proniño, op hun beurt, leren steeds beter zorg verlenen, waarbij liefde en compassie zwaarder wegen dan kennis uit westerse boekjes. De eerste groep van 28 ex-straatkinderen gaat inmiddels bij hen naar school en leert een vak; met de volgende groep wordt momenteel op straat een vertrouwensband gesmeed, zodat die, wanneer ze er klaar voor zijn, ook kunnen beginnen aan het rehabilitatieproces.
’s Avonds als ik knus op de bank zit met een kop thee en ik moet aan Flaco denken, flitsen me beelden voor ogen van een tot beest gereduceerd mensje in die gore “Pasaje”, met twee kartonnen dozen als huis. Van “Pioneer” natuurlijk. Maar ik hoef slechts één blik op mijn bureau te werpen om een glimmende F16 naar me te zien knipogen, en dan weet ik weer waarom we dit werk doen. Licht en Liefde.

Dit is het vervolg op het verhaal waarin begeleidster Aurora, de twee tandartsvrouwen, en Bas samen op zoek gaan naar de drie vermiste doerakken.
Tellen later zitten we in het politiebureau. Twee stoeltjes, een bureautje dat lijkt overgewaaid uit communistisch Rusland, waarop trots een typemachine uit de zestiger jaren prijkt, en tot mijn ergernis een oeroude ventilator die krakend van vermoeidheid rondjes draait aan het plafond om een zuchtje koelte te brengen in de verzengende hitte. Het helpt niet. Een zweempje frisse lucht kan niet opboksen tegen de frustratie die het gekraak van het antieke apparaat teweeg brengt.
Samen met El Flaco en een agent kom ik bij de tandartsvrouwen in de auto terecht, op weg naar wat bekend staat als één van de meest ontoegankelijke wijken van deze levensgevaarlijke stad. We rijden achter de patrouille. De tandartsen zijn bang, ze vergrendelen de deuren van hun auto. De agent staart stoer voor zich uit, af en toe iets onverstaanbaars mompelend in zijn walkie talkie, en ik verdenk hem er van dat hij indruk wil maken op de dames.
“Nooooooiiiiittt ga ik meer bij jullie weg, weet je dat?” Cristian hangt met zijn hoofd in mijn nek terwijl hij het zegt, maar vermijdt mijn blik.
Tot overmaat van ramp herhaalt het tafereel zich drie dagen later wanneer opnieuw twee jongetjes er tussenuit piepen terwijl de directeur, die speciaal was meegekomen om een oogje in het zeil te houden, even gaat plassen en de tandarts met haar hoofd boven het zoveelste gaatje van het zoveelste kind hangt.
Ook wij zijn bang. Gedurende oneindige seconden vertekent een voelbaar veld van spanning onze blik, tot één van hen de status quo doorbreekt met een onzekere glimlach en een paar voorzichtige passen in onze richting. Dappere Aurora stapt door een gat in het hek, met de tandartsvrouwen en mij in haar kielzog.
Ruzie. Dat is wat ik miste! Ik zit al twintig minuten domino te spelen en er is geen onvertogen woord gevallen, geen mep uitgedeeld, geen steen gegooid.
Ik lig naast Sami en plots schieten de herinneringen als scherpe plaatjes over mijn netvlies. In een flits word ik een jaar teruggeworpen in de tijd, toen Las Flores nog niet bestond en hij en zijn vriendjes op straat zwierven. Daar zie ik hem weer, slapend op een stuk karton in het portiek van de bakkerij, waar hij de vorige nacht is gaan liggen in de hoop een stukje brood te krijgen bij de opening. Hoop die meestal verbrijzeld wordt met een trap tegen zijn kont of een emmer water over zijn hoofd. Sami, rillend van de kou in een tropische storm, zodat hij tegen me aan komt hangen voor wat warmte die ik hem niet kan geven, omdat zijn doorweekte vodden me net zo koud maken als hem. Sami, brullend van onmacht en pijn op een stoepje, omdat hij in elkaar geslagen is door een volwassene die hem zijn bedelopbrengst heeft afgepakt om er drank van te kopen. Sami was elf.



