Een ontmoeting met de zee

15 augustus 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020701Verleden weekend ben ik naar de zee geweest. Ik had het idee opgevat om met Oscar en Carlos – de broertjes van het pizzafestijn – en ditmaal ook hun zusje Alejandra, naar het strand te gaan.

Het is maar drie kwartier bussen maar geen van hen heeft ooit de zee gezien en ze hoorden toch steeds van die vreemde verhalen. Dat iemand zout in het water had gestrooid, dat je er het eind van de wereld kon zien, dat er zoiets als een golf bestond en dat sommige mensen heel veel betaalden om er met duizenden anderen om een metertje zand te mogen vechten…

Weeshuisvrijwilligster Anji was nieuwsgierig geworden na mijn verhalen over de straatschoffies, die het toch echt nog veel slechter hadden dan de Monchichis, dus samen liepen wij naar de afspraak, waar alleen Oscar bleek te zijn.

Carlos en Alejandra moesten werken – acht en zes jaar jong! – dus wij zouden het die dag met z’n drieën doen. Anji en ik waren een beetje ongemakkelijk nu het jongetje geen speelmaatjes had maar Oscar zelf bleek daar bepaald niet mee te zitten. Die had zijn zinnen gezet op de zee en die zou hij zien, met of zonder broer en zus.

Hij gaat over straat in een opengescheurd zwemvod met een half buitenboord bungelende bil en ik vond een nieuwe garderobe bij zo’n plechtige gelegenheid als je eerste zeebezoek toch wel op zijn plaats.

T-shirts, sokken, onderbroeken, zwembroeken en riemen, waren in een mum van tijd gekocht. Alles in zestallen, twee voor elk kind. Met een prijs van € 1.75 voor een t shirt wordt het verleidelijk een vrachtlading te kopen zodat ze voor drie jaar klaar zijn, maar ervaring leert dat dit averechts werkt.

Zodra de ouder ziet dat het kind meer heeft dan het hoogstnoodzakelijke setje kleren wordt de rest ogenblikkelijk verkocht. Met geld kun je tenslotte eten kopen en meer kleren bezitten dan je aanhebt is een luxe die zij zich niet kunnen permitteren. Wie op straat woont is niet beter af, die raakt zijn extra broek of sokken zo kwijt aan een wat sterker en groter kind, of ruilt het kledingstuk voor een portie eten zodra de honger groter is dan het plezier van de nieuwe spullen.

Als je tien bent en je hebt nog nooit iets van iemand gekregen, zelfs niet voor je verjaardag, ga je huilen wanneer je een T-shirt krijgt en je kunt je de pijn voorstellen als je moeder vervolgens dat T-shirt van je afgraait om het te verkopen, dus ik moest het rustig houden.

Oscar wilde persé ook nog een spijkerbroek. Dit was zeer tegen mijn zin maar toen hij eenmaal een zwart model aanhad, zeven maten te groot, weigerde hij pertinent die nog uit te doen. De broek deed na heftige onderhandelingen ¤ 11,-, een vermogen hier voor een broek en ik zag het absoluut niet zitten, maar het joch werd hysterisch toen ik voorstelde om het maar niet te doen.

20020702Even later zaten we bij mij thuis aan de cornflakes en vroegen we waarom hij toch zo graag die broek wilde hebben. ‘Papa had precies dezelfde aan op de dag dat hij doodging’, spuide Oscar vrolijk uit, met zijn handen over zijn nieuwe aanwinst strijkend. Aaaaiiii, bij deze jong vaderloos geworden schrijver werd een gevoelige snaar geraakt. Ik was zielsblij dat ik me had laten overhalen en hoopte vurig dat mams hem niet zou inruilen voor een zak bonen.

Hij was sowieso elk kwartier nerveus aan het brabbelen over zijn moeder, maar zelfs Anji, die toch een stuk beter Spaans spreekt dan ik, kon niet ontdekken waarom hij toch zo in angst zat dat moedertje lief hem zou slaan wanneer hij weer thuiskwam.

Er was overigens nog flinke overredingskracht voor nodig om de jongen aan een tafel te krijgen en rustig zijn cornflakes op te doen lepelen. Ik weet nu heel goed dat deze kinderen echt honger lijden. Niet zoals ik wanneer ik eens een uurtje op een maaltijd moet wachten maar Honger met een hoofdletter H. Als bedelen en stelen een dagje tegenzitten dan eet je niet, zo simpel ligt dat.

Toch schokte het me diep om het tafereeltje te aanschouwen dat zich afspeelde toen hij mijn koelkast zag staan. Vertwijfeld keek hij mij aan en toen ik beschaamd ja knikte sprong hij als een wild beest met een vraatzuchtige blik in zijn ogen op de deur af, rukte die open en stopte met zijn handen rauwe plakken ham en salami in zijn mond. De melk trok hij slordig en morsend uit het stavakje om daarmee gulzig het vlees weg te spoelen en zich daarna op de kaas te storten. Het leek op een onwerkelijk stukje theater van anderhalve minuut dat speciaal werd opgevoerd om Anji en mij te laten zien wat échte honger is. Pas nadat de ergste nood gestelpt was kon hij gaan nadenken over wat hij eigenlijk lekker vond … en terwijl ik dit schrijf beleef ik opnieuw al die hongerscènes waar ik de afgelopen tijd getuige van ben geweest.

‘Honger Bas, ik heb zo’n honger,’ hoor ik Walter weer zeggen met dat zwakke stemmetje. Walter is een snuivertje van een jaar of dertien en hij heeft in het park zijn eigen slaapbankje waar niemand anders ooit op slapen mag want hij heeft daar cardboardkarton opgestapeld dat extra zacht schijnt te liggen. Bovendien kun je dat eten in noodgevallen want het is redelijk verteerbaar. Of ze dat daadwerkelijk doen weet ik niet, ik heb het van horen zeggen.

Elke avond wanneer ik uit het internetcafé kom sta ik voor een moeilijke keus. Een blokje omfietsen en ongestoord naar huis of de kortere route langs het park waar een dikke kans is dat ik door wat snuivertjes getackeld word. Dat betekent leed aanhoren, geld uitgeven aan eten, knuffels uitdelen, en met een brok in de keel naar huis. Soms heb ik een gierige bui of kan ik dat gewoon niet aan, soms wint de liefde en kies ik voor de parkroute.

Walter of Nelson of die lieve zieke Jonatàn of Lijmen Luisje komen dan aangezwabberd en altijd geef ik dan mij over. Het is verbazingwekkend hoe knuffelziek ze zijn, wat me nogal uitzonderlijk lijkt voor jongens van die leeftijd. Maar als ik mijn armen om ze heen sla en hun hoofd tegen mijn borst druk, kan ik voelen dat het geen welkomstknuffel is maar één met een opmerkelijk mengsel van gevoelens. Ik voel dan tegelijkertijd hun totale overgave, alsook de paniek van de eenzaamheid en de wanhoop. Jonatàn blijft soms wel tien seconden lang gewoon zo staan, zijn stinkende luizenbol vlak onder mijn neus, zijn armen slapjes om mijn middel, alleen maar om een beetje liefde en menselijke warmte te absorberen, waaraan hij zo’n wreed gebrek heeft.

Cornflakes op … en Oscar vertrekt voor een in zijn ogen spectaculaire busrit naar wat wel het eind van de aarde voor hem leek, nog geen uur verderop. Daar kwam het moment waarop de zee en hij elkaar voor het eerst ontmoetten. ‘Oh wat mooi, wat mooi,’ fluisterde hij ontzagvol, en staarde bewegingloos en stilzwijgend uit over het water; een bijzondere pose voor een anders zo rusteloos kind.

We hebben genoten, alledrie. Oscar van het eten dat in overvloed aanwezig was, van de speedboot waar hij eerst niet op en daarna niet meer af te sleuren was, en vooral van het kind zijn. Anji en ik op onze beurt hebben genoten van hem. Hoe hij het water wel zes keer proefde om te zien of het echt zout was, hoe hij in het chicste restaurant van het dorp alles wat hem niet bliefde uit zijn visschotel pontificaal op de grond smeet, hoe hij de rest met zijn handen opvrat, maar vooral van het kind dat we eindelijk voor een dagje zagen opbloeien.

Alleen die moeder, die bleef hem maar telkens de zenuwen bezorgen en er moest een Hondurese negerin die in Houston woonde aan te pas komen om te vertalen. De aap kwam uit de mouw, op zaterdag moest hij voor haar bedelen en als hij niet met genoeg thuis kwam, sloeg zij hem bont en blauw. Eindelijk begreep ik waarom hij toch telkens als een geslagen hond wegdook wanneer ik een plotse beweging maakte. Bij gebrek aan een vader had moeders de mishandelrol overgenomen.

Hoe ik ook aanbood en beloofde om hem het dubbele te geven van een gewone bedeldagopbrengst, het vertrouwen dat iemand hem zou helpen was te broos. Pas terug in mijn huis, met het geld in zijn hand, kwam de gloed van geluk weer even over zijn ogen.

Toen ik Oscar in de bus naar huis zette werd het me even te kwaad. Dat jongetje, drie turven hoog, met die veel te zware zak kleren over zijn schouder geslagen en dat bankbriefje als een schatkist in zijn knuist geklemd, op weg naar de ellende van zijn thuis. Hij keek nog even om en leek verbaasd dat ik net zo verdrietig keek als hij.

Maandag op het honk stond hij trots als een pauw in zijn spijkerbroek te paraderen. Op mijn vraag of hij geslagen was klonk het doodleuk: ‘nee joh man, als ik maar centen voor haar heb dan laat ze me wel met rust’.

Reageer