Laatst was ik op bezoek in de vrouwengevangenis. Een kerkteam gaat hier wekelijks naar toe om de vrouwen, die vaak voor belachelijk kleine vergrijpen gênant lang moeten zitten, moreel te steunen en rechtshulp te verlenen voor zo ver van recht gesproken kan worden in deze krankzinnige staat. Uit nieuwsgierigheid naar de erbarmelijke omstandigheden waaronder de dames leven en om een beeld te scheppen van hoe het bajesleven er uit ziet als je met negen anderen een kamer van drie bij drie zonder douche deelt, ben ik een keertje mee geweest. Ik heb geprobeerd mijn camera mee naar binnen te smokkelen maar moest die helaas na fouillering achterlaten bij de bewaking, ondanks verwoede pogingen de betrokken beambte te charmeren.
‘Hoe lang denkt u nog te moeten zitten?’, vroeg ik diep onder de indruk aan één van de dames, die al acht maanden eerder haar tijd er op had maar vanwege administratieve rompslomp en een bestuurswisseling in de gemeente nog steeds niet was vrijgelaten. Het uiterst simpele antwoord luidde: ‘zo lang als God het wil’. Eerst dacht ik haar verkeerd verstaan te hebben, maar navraag leerde dat dit inderdaad het geval was, ze bleef zitten zo lang als God het wilde. Over fatalisme gesproken.
Eenmaal terug buiten zat ik met mijn drie kerkgenoten bij 37 graden in de schaduw op een steen te wachten op de bus. Eén van hen was een goedlachse negerin met een flinke boezem en een grijzende bos kroeshaar. Een ander een gigant van een vrouw, groter dan ik, gedrapeerd in een soort tent met bloemetjesmotief en onwel riekend naar ingetrokken zweet. Zij had anderhalf uur gereisd om twintig minuten het woord van Jezus te verkondigen en moest nog anderhalf uur terug. Hier ontkwam ik wederom niet aan die telkens terugkerende vraag: “hoe Christelijk ben jij?”
Nu bevind ik mij momenteel in een overgangsperiode van absolute heiden naar een steeds dieper spiritueel leven zonder ook maar enige conventionele geloofsrichting aan te hangen en dit maakt het antwoord een hachelijke zaak.
Eén keer heb ik gezegd dat ik atheïst was maar buiten het feit dat dit inmiddels een leugen is, verslikte mijn gesprekspartner zich pardoes zo hard in zijn frisje om daarna binnen luttele seconden van mijn tafel weg te lopen, dat ik het verstandiger achtte dit antwoord niet meer te geven.
Vervolgens heb ik een paar keer de exacte waarheid geprobeerd door te zeggen dat ik atheïstisch was opgegroeid maar sinds een paar jaar telkens meer aan meditatie doe en een steeds spiritueler leven leid, maar dit bracht enkel verwarring.
Omringd door de drie lieftallige dames waagde ik een gokje door eens een nieuwe variant te proberen zonder de waarheid al te veel geweld aan te doen: ‘ik ben boeddhist’.
Open monden, grote ogen, diepe stilte. ‘Maar je bidt toch zeker wel?’ pufte die dikke met dat bloemenmotief, die tot mijn verrassing als eerste enigszins bekwam van de schok. ‘Mmmmm, ik trek mij elke dag terug in diepe concentratie en probeer zo contact te maken met mijzelf en het goddelijke,’ waarop de dame van het grijze kroeshaar scherp opmerkte: ‘dus je gelooft gelukkig wel in God?’
Mijn gebrekkige Spaans begon me nu duidelijk in de steek te laten maar wat ik probeerde te zeggen luidt ongeveer als volgt: ‘Ik ben er van overtuigd dat ieder mens een klein stukje god in zich heeft en wij allemaal samen het goddelijke vormen. Je kan een lichtje ontsteken in jezelf en naarmate je met oefening in staat bent dat harder te doen branden krijg je meer helderheid, meer inzicht en kom je dichter bij dat goddelijke dat in je huist. Hoe meer licht je vindt, hoe meer je in liefde en geluk kunt leven en geven en hoe beter je de donkerte van je angsten en je ongeluk uit kunt sluiten.’
Dit vond weliswaar enige weerklank bij de dames, maar in de volgende vraag klonk nog steeds de achterdocht door: ‘dus ieder mens heeft dat goddelijke licht in zich?’
‘ja, iedereen’
‘ook arme mensen?’
‘ja, zelfs rijke!’
‘en slechte mensen?’
‘die ook’
‘ook Hitler?’
‘ook Hitler, alleen heeft die het lichtknopje nooit gevonden en als je maar in genoeg duisternis leeft ben je tot de meest beestachtige daden in staat’.
Het ongeloof won het nu van de nieuwsgierigheid en het gesprek werd dan ook door het nu nog sterker zwetende bloemetjesmotief handig doch abrupt naar veiliger terrein gemanoeuvreerd. Dat veiliger niet automatisch risicoloos betekent bleek al gauw….
‘Wat voor dieren houden jullie thuis?’
Nu weet ik uit ervaring in Latijns Amerika dat het hier een strikvraag betreft voor argeloze Westerlingen. Het is namelijk niets anders dan op een verdekte manier proberen uit te vogelen hoe rijk de gesprekspartner is. Hoe groter de dieren en hoe meer, hoe rijker de familie, is de algemene stelling. Nu wil het feit dat mijn familie, althans mijn moeder, beschikt over een klein weitje waarin sinds jaar en dag wat kippen, ganzen en geiten vredig grazend hun leven doorbrengen zonder dat mijn moeder in ruil daarvoor hun melk of hun lichamen opeist om er geld aan te verdienen.
In mijn westerse naïveteit ging ik er vanuit dat ik echt niet voor een patser door zou kunnen gaan omdat mijn moeder een handvol grazend kleinvee houdt, dus op mijn meest onschuldige toon verkondigde ik: ‘In mijn familie zijn wij geitenhoeders’.
Bewondering en afgunst vielen mij ten deel. ‘Ohhh’ riep de grijzende kroeskop uit, ‘dan zijn jullie ook rijk! ‘Nietes,’ wierp ik verontwaardigd tegen, ‘in Europa zijn varkens en koeien veel duurder en die hebben wij niet dus wij zijn best wel arm!’…waarop het volgende magistrale en mij totaal de mond snoerende antwoord kwam: ‘ja haha, hier zijn die ook veel duurder maar die weeg je niet in ponden en geiten wel!’ Inmiddels heb ik aardig wat tijd besteed aan het ontdekken van de logica hierachter maar het blijft vooralsnog een mysterie wat ze hiermee bedoelden.
Verbeten zat ik op het verlossende geluid van een aankomende bus te wachten maar die liet natuurlijk op zich wachten en ik werd almaar verder gegrild in het vragenvuur.
‘Hoe veel geiten wij dan wel hielden’ wou de zweetjurk weten, die nu haar jaloezie bepaald niet meer onder stoelen of banken stak. Wij houden er drie maar vanwege haar jaloezie en mijn eigen ongemak over al deze vragen was ik inmiddels in een pochstadium beland dus ik riep op de gok dat we er zeven hielden. Dit bleek goed gegokt, de familie Wiersma werd als puissant rijk bestempeld.
Op slag sloeg mijn egoïstische pochdrang om in schaamte. Dat wij lekker ook nog eens zes vette kippen hebben hield ik maar voor me. Het woord gans weet ik niet in het Spaans en dat is maar beter ook want die zijn vermoedelijk alleen voor de upper class bij het kerstdiner … en ik hoorde in de verte het opluchtende getoeter van de bus…
