Alle posts voor augustus 2002

Een ongrijpbaar juweel

29 augustus 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020801Ach lief Honduras, ik ken je nog maar zo kort en ben nu al zo verliefd. Net als je statige buurvrouw Nicaragua verleden jaar heb ook jij nu mijn hart weten te veroveren. Ik snap je niet al probeer ik je te begrijpen. Ik zie hoe mooi je bent maar ik mag alleen voorzichtig aan je komen, niet echt tot je doordringen. Je bent een ongrijpbaar juweel voor mij en dat maakt je extra aantrekkelijk.

Je rijke zusters met die soms zo illustere namen als Zwitserland, Verenigde Staten van Amerika of Europese Unie, die mogen jou niet echt. Ze komen graag je schoonheid stelen, ze plukken je bananen en je koffie, zonder je daarvoor redelijk te belonen. Verder gunnen ze jou geen blik waardig. Jij bent Assepoester en zij de echte dochters. Zouden zij vergeten zijn hoe dat sprookje afliep?

Ik heb je glazen muiltje gevonden en hij past want jij bent de mooiste. Als ik aan jouw stranden lig mag ik me naar hartelust wentelen in je golven en privé-kastelen bouwen van je zand. Ik ben alleen met jou want de rest ligt op het ordinaire Zandvoort, het arrogante Cannes of het verdoofde Ibiza. Als ik door je bergen dool neem je me op in je schoot. Dan til je me omhoog zodat ik uit mag kijken over al je schoonheid en mag ruiken aan je maagdelijkheid. Je bomen beschermen mij tegen de regen, je oerwoudgeluiden lossen op in mijn stilte. Dan zijn we opnieuw alleen. Je ruikt naar bloesem, fris en onvervuild.

Je bent zo mooi en zo onhandig, je chaos overtreft je logica, de hitte wint het van je werklust, maar je passie voor de liefde is sterker dan geld en ik proef dat je gelukkiger smaakt dan je rijke zusters. Hoe langer ik bij je ben, hoe mystieker je wordt, hoe meer je fonkelt als een voor mij ongrijpbaar juweel.

Ik zou het over de daken kunnen schreeuwen maar ik fluister het, zodat de rest van de wereld het niet horen kan want dan verlies ik je aan de massa: “Lief Honduras, ik hou van jou.”

Een ontmoeting met de zee

15 augustus 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020701Verleden weekend ben ik naar de zee geweest. Ik had het idee opgevat om met Oscar en Carlos – de broertjes van het pizzafestijn – en ditmaal ook hun zusje Alejandra, naar het strand te gaan.

Het is maar drie kwartier bussen maar geen van hen heeft ooit de zee gezien en ze hoorden toch steeds van die vreemde verhalen. Dat iemand zout in het water had gestrooid, dat je er het eind van de wereld kon zien, dat er zoiets als een golf bestond en dat sommige mensen heel veel betaalden om er met duizenden anderen om een metertje zand te mogen vechten…

Weeshuisvrijwilligster Anji was nieuwsgierig geworden na mijn verhalen over de straatschoffies, die het toch echt nog veel slechter hadden dan de Monchichis, dus samen liepen wij naar de afspraak, waar alleen Oscar bleek te zijn.

Carlos en Alejandra moesten werken – acht en zes jaar jong! – dus wij zouden het die dag met z’n drieën doen. Anji en ik waren een beetje ongemakkelijk nu het jongetje geen speelmaatjes had maar Oscar zelf bleek daar bepaald niet mee te zitten. Die had zijn zinnen gezet op de zee en die zou hij zien, met of zonder broer en zus.

Hij gaat over straat in een opengescheurd zwemvod met een half buitenboord bungelende bil en ik vond een nieuwe garderobe bij zo’n plechtige gelegenheid als je eerste zeebezoek toch wel op zijn plaats.

T-shirts, sokken, onderbroeken, zwembroeken en riemen, waren in een mum van tijd gekocht. Alles in zestallen, twee voor elk kind. Met een prijs van € 1.75 voor een t shirt wordt het verleidelijk een vrachtlading te kopen zodat ze voor drie jaar klaar zijn, maar ervaring leert dat dit averechts werkt.

Zodra de ouder ziet dat het kind meer heeft dan het hoogstnoodzakelijke setje kleren wordt de rest ogenblikkelijk verkocht. Met geld kun je tenslotte eten kopen en meer kleren bezitten dan je aanhebt is een luxe die zij zich niet kunnen permitteren. Wie op straat woont is niet beter af, die raakt zijn extra broek of sokken zo kwijt aan een wat sterker en groter kind, of ruilt het kledingstuk voor een portie eten zodra de honger groter is dan het plezier van de nieuwe spullen.

Als je tien bent en je hebt nog nooit iets van iemand gekregen, zelfs niet voor je verjaardag, ga je huilen wanneer je een T-shirt krijgt en je kunt je de pijn voorstellen als je moeder vervolgens dat T-shirt van je afgraait om het te verkopen, dus ik moest het rustig houden.

Oscar wilde persé ook nog een spijkerbroek. Dit was zeer tegen mijn zin maar toen hij eenmaal een zwart model aanhad, zeven maten te groot, weigerde hij pertinent die nog uit te doen. De broek deed na heftige onderhandelingen ¤ 11,-, een vermogen hier voor een broek en ik zag het absoluut niet zitten, maar het joch werd hysterisch toen ik voorstelde om het maar niet te doen.

20020702Even later zaten we bij mij thuis aan de cornflakes en vroegen we waarom hij toch zo graag die broek wilde hebben. ‘Papa had precies dezelfde aan op de dag dat hij doodging’, spuide Oscar vrolijk uit, met zijn handen over zijn nieuwe aanwinst strijkend. Aaaaiiii, bij deze jong vaderloos geworden schrijver werd een gevoelige snaar geraakt. Ik was zielsblij dat ik me had laten overhalen en hoopte vurig dat mams hem niet zou inruilen voor een zak bonen.

Hij was sowieso elk kwartier nerveus aan het brabbelen over zijn moeder, maar zelfs Anji, die toch een stuk beter Spaans spreekt dan ik, kon niet ontdekken waarom hij toch zo in angst zat dat moedertje lief hem zou slaan wanneer hij weer thuiskwam.

Er was overigens nog flinke overredingskracht voor nodig om de jongen aan een tafel te krijgen en rustig zijn cornflakes op te doen lepelen. Ik weet nu heel goed dat deze kinderen echt honger lijden. Niet zoals ik wanneer ik eens een uurtje op een maaltijd moet wachten maar Honger met een hoofdletter H. Als bedelen en stelen een dagje tegenzitten dan eet je niet, zo simpel ligt dat.

Toch schokte het me diep om het tafereeltje te aanschouwen dat zich afspeelde toen hij mijn koelkast zag staan. Vertwijfeld keek hij mij aan en toen ik beschaamd ja knikte sprong hij als een wild beest met een vraatzuchtige blik in zijn ogen op de deur af, rukte die open en stopte met zijn handen rauwe plakken ham en salami in zijn mond. De melk trok hij slordig en morsend uit het stavakje om daarmee gulzig het vlees weg te spoelen en zich daarna op de kaas te storten. Het leek op een onwerkelijk stukje theater van anderhalve minuut dat speciaal werd opgevoerd om Anji en mij te laten zien wat échte honger is. Pas nadat de ergste nood gestelpt was kon hij gaan nadenken over wat hij eigenlijk lekker vond … en terwijl ik dit schrijf beleef ik opnieuw al die hongerscènes waar ik de afgelopen tijd getuige van ben geweest.

‘Honger Bas, ik heb zo’n honger,’ hoor ik Walter weer zeggen met dat zwakke stemmetje. Walter is een snuivertje van een jaar of dertien en hij heeft in het park zijn eigen slaapbankje waar niemand anders ooit op slapen mag want hij heeft daar cardboardkarton opgestapeld dat extra zacht schijnt te liggen. Bovendien kun je dat eten in noodgevallen want het is redelijk verteerbaar. Of ze dat daadwerkelijk doen weet ik niet, ik heb het van horen zeggen.

Elke avond wanneer ik uit het internetcafé kom sta ik voor een moeilijke keus. Een blokje omfietsen en ongestoord naar huis of de kortere route langs het park waar een dikke kans is dat ik door wat snuivertjes getackeld word. Dat betekent leed aanhoren, geld uitgeven aan eten, knuffels uitdelen, en met een brok in de keel naar huis. Soms heb ik een gierige bui of kan ik dat gewoon niet aan, soms wint de liefde en kies ik voor de parkroute.

Walter of Nelson of die lieve zieke Jonatàn of Lijmen Luisje komen dan aangezwabberd en altijd geef ik dan mij over. Het is verbazingwekkend hoe knuffelziek ze zijn, wat me nogal uitzonderlijk lijkt voor jongens van die leeftijd. Maar als ik mijn armen om ze heen sla en hun hoofd tegen mijn borst druk, kan ik voelen dat het geen welkomstknuffel is maar één met een opmerkelijk mengsel van gevoelens. Ik voel dan tegelijkertijd hun totale overgave, alsook de paniek van de eenzaamheid en de wanhoop. Jonatàn blijft soms wel tien seconden lang gewoon zo staan, zijn stinkende luizenbol vlak onder mijn neus, zijn armen slapjes om mijn middel, alleen maar om een beetje liefde en menselijke warmte te absorberen, waaraan hij zo’n wreed gebrek heeft.

Cornflakes op … en Oscar vertrekt voor een in zijn ogen spectaculaire busrit naar wat wel het eind van de aarde voor hem leek, nog geen uur verderop. Daar kwam het moment waarop de zee en hij elkaar voor het eerst ontmoetten. ‘Oh wat mooi, wat mooi,’ fluisterde hij ontzagvol, en staarde bewegingloos en stilzwijgend uit over het water; een bijzondere pose voor een anders zo rusteloos kind.

We hebben genoten, alledrie. Oscar van het eten dat in overvloed aanwezig was, van de speedboot waar hij eerst niet op en daarna niet meer af te sleuren was, en vooral van het kind zijn. Anji en ik op onze beurt hebben genoten van hem. Hoe hij het water wel zes keer proefde om te zien of het echt zout was, hoe hij in het chicste restaurant van het dorp alles wat hem niet bliefde uit zijn visschotel pontificaal op de grond smeet, hoe hij de rest met zijn handen opvrat, maar vooral van het kind dat we eindelijk voor een dagje zagen opbloeien.

Alleen die moeder, die bleef hem maar telkens de zenuwen bezorgen en er moest een Hondurese negerin die in Houston woonde aan te pas komen om te vertalen. De aap kwam uit de mouw, op zaterdag moest hij voor haar bedelen en als hij niet met genoeg thuis kwam, sloeg zij hem bont en blauw. Eindelijk begreep ik waarom hij toch telkens als een geslagen hond wegdook wanneer ik een plotse beweging maakte. Bij gebrek aan een vader had moeders de mishandelrol overgenomen.

Hoe ik ook aanbood en beloofde om hem het dubbele te geven van een gewone bedeldagopbrengst, het vertrouwen dat iemand hem zou helpen was te broos. Pas terug in mijn huis, met het geld in zijn hand, kwam de gloed van geluk weer even over zijn ogen.

Toen ik Oscar in de bus naar huis zette werd het me even te kwaad. Dat jongetje, drie turven hoog, met die veel te zware zak kleren over zijn schouder geslagen en dat bankbriefje als een schatkist in zijn knuist geklemd, op weg naar de ellende van zijn thuis. Hij keek nog even om en leek verbaasd dat ik net zo verdrietig keek als hij.

Maandag op het honk stond hij trots als een pauw in zijn spijkerbroek te paraderen. Op mijn vraag of hij geslagen was klonk het doodleuk: ‘nee joh man, als ik maar centen voor haar heb dan laat ze me wel met rust’.

Over Goden en geiten

6 augustus 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

Laatst was ik op bezoek in de vrouwengevangenis. Een kerkteam gaat hier wekelijks naar toe om de vrouwen, die vaak voor belachelijk kleine vergrijpen gênant lang moeten zitten, moreel te steunen en rechtshulp te verlenen voor zo ver van recht gesproken kan worden in deze krankzinnige staat. Uit nieuwsgierigheid naar de erbarmelijke omstandigheden waaronder de dames leven en om een beeld te scheppen van hoe het bajesleven er uit ziet als je met negen anderen een kamer van drie bij drie zonder douche deelt, ben ik een keertje mee geweest. Ik heb geprobeerd mijn camera mee naar binnen te smokkelen maar moest die helaas na fouillering achterlaten bij de bewaking, ondanks verwoede pogingen de betrokken beambte te charmeren.

‘Hoe lang denkt u nog te moeten zitten?’, vroeg ik diep onder de indruk aan één van de dames, die al acht maanden eerder haar tijd er op had maar vanwege administratieve rompslomp en een bestuurswisseling in de gemeente nog steeds niet was vrijgelaten. Het uiterst simpele antwoord luidde: ‘zo lang als God het wil’. Eerst dacht ik haar verkeerd verstaan te hebben, maar navraag leerde dat dit inderdaad het geval was, ze bleef zitten zo lang als God het wilde. Over fatalisme gesproken.

Eenmaal terug buiten zat ik met mijn drie kerkgenoten bij 37 graden in de schaduw op een steen te wachten op de bus. Eén van hen was een goedlachse negerin met een flinke boezem en een grijzende bos kroeshaar. Een ander een gigant van een vrouw, groter dan ik, gedrapeerd in een soort tent met bloemetjesmotief en onwel riekend naar ingetrokken zweet. Zij had anderhalf uur gereisd om twintig minuten het woord van Jezus te verkondigen en moest nog anderhalf uur terug. Hier ontkwam ik wederom niet aan die telkens terugkerende vraag: “hoe Christelijk ben jij?”

Nu bevind ik mij momenteel in een overgangsperiode van absolute heiden naar een steeds dieper spiritueel leven zonder ook maar enige conventionele geloofsrichting aan te hangen en dit maakt het antwoord een hachelijke zaak.

Eén keer heb ik gezegd dat ik atheïst was maar buiten het feit dat dit inmiddels een leugen is, verslikte mijn gesprekspartner zich pardoes zo hard in zijn frisje om daarna binnen luttele seconden van mijn tafel weg te lopen, dat ik het verstandiger achtte dit antwoord niet meer te geven.

Vervolgens heb ik een paar keer de exacte waarheid geprobeerd door te zeggen dat ik atheïstisch was opgegroeid maar sinds een paar jaar telkens meer aan meditatie doe en een steeds spiritueler leven leid, maar dit bracht enkel verwarring.

Omringd door de drie lieftallige dames waagde ik een gokje door eens een nieuwe variant te proberen zonder de waarheid al te veel geweld aan te doen: ‘ik ben boeddhist’.

Open monden, grote ogen, diepe stilte. ‘Maar je bidt toch zeker wel?’ pufte die dikke met dat bloemenmotief, die tot mijn verrassing als eerste enigszins bekwam van de schok. ‘Mmmmm, ik trek mij elke dag terug in diepe concentratie en probeer zo contact te maken met mijzelf en het goddelijke,’ waarop de dame van het grijze kroeshaar scherp opmerkte: ‘dus je gelooft gelukkig wel in God?’

Mijn gebrekkige Spaans begon me nu duidelijk in de steek te laten maar wat ik probeerde te zeggen luidt ongeveer als volgt: ‘Ik ben er van overtuigd dat ieder mens een klein stukje god in zich heeft en wij allemaal samen het goddelijke vormen. Je kan een lichtje ontsteken in jezelf en naarmate je met oefening in staat bent dat harder te doen branden krijg je meer helderheid, meer inzicht en kom je dichter bij dat goddelijke dat in je huist. Hoe meer licht je vindt, hoe meer je in liefde en geluk kunt leven en geven en hoe beter je de donkerte van je angsten en je ongeluk uit kunt sluiten.’

Dit vond weliswaar enige weerklank bij de dames, maar in de volgende vraag klonk nog steeds de achterdocht door: ‘dus ieder mens heeft dat goddelijke licht in zich?’
‘ja, iedereen’
‘ook arme mensen?’
‘ja, zelfs rijke!’
‘en slechte mensen?’
‘die ook’
‘ook Hitler?’
‘ook Hitler, alleen heeft die het lichtknopje nooit gevonden en als je maar in genoeg duisternis leeft ben je tot de meest beestachtige daden in staat’.

Het ongeloof won het nu van de nieuwsgierigheid en het gesprek werd dan ook door het nu nog sterker zwetende bloemetjesmotief handig doch abrupt naar veiliger terrein gemanoeuvreerd. Dat veiliger niet automatisch risicoloos betekent bleek al gauw….
‘Wat voor dieren houden jullie thuis?’

Nu weet ik uit ervaring in Latijns Amerika dat het hier een strikvraag betreft voor argeloze Westerlingen. Het is namelijk niets anders dan op een verdekte manier proberen uit te vogelen hoe rijk de gesprekspartner is. Hoe groter de dieren en hoe meer, hoe rijker de familie, is de algemene stelling. Nu wil het feit dat mijn familie, althans mijn moeder, beschikt over een klein weitje waarin sinds jaar en dag wat kippen, ganzen en geiten vredig grazend hun leven doorbrengen zonder dat mijn moeder in ruil daarvoor hun melk of hun lichamen opeist om er geld aan te verdienen.

In mijn westerse naïveteit ging ik er vanuit dat ik echt niet voor een patser door zou kunnen gaan omdat mijn moeder een handvol grazend kleinvee houdt, dus op mijn meest onschuldige toon verkondigde ik: ‘In mijn familie zijn wij geitenhoeders’.
Bewondering en afgunst vielen mij ten deel. ‘Ohhh’ riep de grijzende kroeskop uit, ‘dan zijn jullie ook rijk! ‘Nietes,’ wierp ik verontwaardigd tegen, ‘in Europa zijn varkens en koeien veel duurder en die hebben wij niet dus wij zijn best wel arm!’…waarop het volgende magistrale en mij totaal de mond snoerende antwoord kwam: ‘ja haha, hier zijn die ook veel duurder maar die weeg je niet in ponden en geiten wel!’ Inmiddels heb ik aardig wat tijd besteed aan het ontdekken van de logica hierachter maar het blijft vooralsnog een mysterie wat ze hiermee bedoelden.

Verbeten zat ik op het verlossende geluid van een aankomende bus te wachten maar die liet natuurlijk op zich wachten en ik werd almaar verder gegrild in het vragenvuur.

‘Hoe veel geiten wij dan wel hielden’ wou de zweetjurk weten, die nu haar jaloezie bepaald niet meer onder stoelen of banken stak. Wij houden er drie maar vanwege haar jaloezie en mijn eigen ongemak over al deze vragen was ik inmiddels in een pochstadium beland dus ik riep op de gok dat we er zeven hielden. Dit bleek goed gegokt, de familie Wiersma werd als puissant rijk bestempeld.
Op slag sloeg mijn egoïstische pochdrang om in schaamte. Dat wij lekker ook nog eens zes vette kippen hebben hield ik maar voor me. Het woord gans weet ik niet in het Spaans en dat is maar beter ook want die zijn vermoedelijk alleen voor de upper class bij het kerstdiner … en ik hoorde in de verte het opluchtende getoeter van de bus…