Lijmen Luisje en kornuiten (deel 1)

22 juli 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020401Na het weeshuis ga ik door naar de Patio. Wie hier absoluut het minst hebben zijn de straatschoffies. Net als elke arme stad op de wereld heeft ook ons El Progreso een stel kinderen die nergens meer terecht kunnen en daarom maar op straat belanden. Een deel van hen heeft nog een thuis waar ze ’s nachts mogen slapen op een vod dat als bed dienst doet, maar waar ze nauwelijks te eten krijgen en niet worden opgevoed. De rest woont in het park of in een portiek en is ouderloos. Tot een jaar of tien, elf gaat dat meestal goed maar daarna wordt het leven te wreed en de wereld te hard dus ontdekken ze de geneugten van het potje lijm.

Voor wie dit proberen wil: neem een potje vloeibare lijm, liefst zeer sterk en vloeibaar, en doe daarvan een theelepeltje in een klein plastic zakje. Blaas vervolgens in het zakje tot het bol staat en inhaleer daarna zo diep mogelijk de lucht van genoemd zakje zodat zo veel mogelijk van de sterk op de hersenen inwerkende lijm de longen binnenkomt. Deze verdoving brengt je voor even naar een mooiere wereld maar telkens als je terugkomt wordt de realiteit natuurlijk een beetje moeilijker te verdragen en na een jaar of wat zijn je longblaasjes zo verneukt van de plakkerigheid dat je eraan sterft. Wat sigaretten in enkele tientallen jaren doen lukt met velpon stukken sneller maar het schijnt wel lekkerder te zijn en ik zal het eens proberen en dan melding doen van mijn ervaringen.

Al sinds ik hier aankwam kon ik het park niet doorlopen of ik werd aangeklampt door een paar van deze lijmsnuivertjes, die in een westerling altijd een makkelijk te rollen zak zien of op zijn minst een kleine financiële injectie om de dag door te komen. De eerste die mij zo aan mijn armen trok heette Luis (spreek uit Loewies). Vel over been met holle ogen die in het niets staarden. Zestien jaartjes jong en sinds mensenheugenis vaste klant bij de bison kit, Lijmen Luisje (Loewiesje) dus. Mijn eerste discussie met hem verliep ongeveer als volgt:

LL: Heb je een dollar voor me?
B: Nee, we zijn hier in Honduras dus heb ik geen dollars op zak.
LL: Heb je dan wat lempira’s?
B: Ja, maar die geef ik je niet.
LL: Waarom niet?
B: Omdat je daar linea recta mee naar de lijmboer gaat om je hersens op te blazen en dat moet je zelf weten maar ik ga je er niet bij helpen.
LL: Kun je dan wat te eten voor me kopen?
B: Wat wil je eten dan?
LL: Kip met friet.
B: Zou je niet liever wat rijst nemen met salade of zo?
LL: Waarom?
B: Nou dat is toch een stuk beter voor je gezondheid.
LL: Net zei je nog dat ik mezelf toch de dood in aan het snuiven ben.

Tja, daar scoort Luis een punt en als ik vroeger jarig was wilde ik ook altijd kip met friet en appelmoes want dat is nu eenmaal het lekkerst, dus op naar de dichtst bijzijnde kippenboer voor een maaltje met een echte coca cola erbij als extraatje.

20020402Sinds een week werk ik met jongens en meisjes als hij. Zodra een gezin in een precaire situatie terechtkomt, zijn de kinderen onherroepelijk de dupe. Ze worden makkelijk het slachtoffer van mishandeling en soms van seksueel misbruik. Vaak worden ze verplicht om te bedelen voor hun ouders, als ze die al hebben. Een kind houdt dat niet lang vol. Omdat hulpverlening miniem is belandt het al gauw op een bankje in het park van de stad als het niet meer naar huis durft. In het park hangen ook kinderen rond die meer doorgewinterd zijn in het straatleven en zij leren de nieuwelingen al gauw waar je droog kunt slapen en in welke vuilnisbakken de lekkerste restjes liggen.

Deze kinderen, met name jongens, zijn het uitschot van de maatschappij. Een gedeelte van de samenleving laat zich weinig aan hen gelegen liggen en is ze, zoals blijkt uit het hier volgende citaat, liever kwijt dan rijk:

While the vast majority of the murderers of these children and youth remain “unknown” the children themselves have names. They were children such as, Gerson Edgardo Nuñez Calix (16); Esteban Varela (16) and Gabriela Bonilla (13), all shot through the head three blocks from the police station in the city of El Progreso, Department of Yoro at approximately 1pm on August, 28th, 1999. The three youth had been released 30 minutes earlier by the police after having been illegally detained in the police station for 24 hours. The principal suspect is a policeman.

Bovenstaande passage ontleen ik uit een rapport van Casa Alianza. Deze organisatie werkt in verschillende Latijns-Amerika landen aan het verbeteren van het lot van straatkinderen en rapporteert aan de Verenigde Naties over het schenden van de fundamentele rechten van deze jonge, door alles en iedereen verlaten mensen. Volgens de cijfers van Casa Alianza zijn sinds 1998 alleen al in Honduras zo’n zeventienhonderd van hen vermoord; door politieagenten, bendeleden, particuliere veiligheidsbureaus, volwassenen, die hun aanwezigheid in de maatschappij als onwenselijk beschouwen. De politieman uit het bovenstaande citaat is in maart 2003 tot 20 jaar gevangenis veroordeeld, hetgeen een verrassende wending is in een ellenlange serie van vrijspraken en zodoende een eerste lichtpuntje biedt voor een betere toekomst.

Een paar goede, liefhebbende mensen in onze stad hebben het lumineuze inzicht gehad dat ook de straatjongeren gewoon kinderen zijn, en dat zij net zo goed recht hebben op aandacht en liefde en misschien zelfs wel ooit geluk zullen kennen als ze de kans maar krijgen. Zij zijn een project aan het opzetten om die kans voor hen te scheppen en hebben onder andere een veldje gehuurd dat ‘de Patio’ gedoopt is. Daar is een soort wasbak hebben gemetseld die dienst doet als badkuip, een toilet neergeknald, een koelkast gekocht, een tweepitter neergezet en dit is de plek waar deze kinderen elke middag welkom zijn om een warme maaltijd te krijgen, tv te kijken, te voetballen en een bad te nemen in de wasbak.

Het voornaamste doel van de patio is om een vertrouwensband te kweken met de kinderen, die stuk voor stuk erg te lijden hebben gehad onder het gedrag van volwassenen in hun directe omgeving. Ernesto, die ’s ochtend les geeft op een middelbare school en die een graad in de psychologie heeft, staat elke middag paraat om iedereen op te vangen die komen wil. Ernesto is leraar, vader, sociaal werker en oppas tegelijk en zorgt er voor dat de kinderen in elk geval een paar uur per dag een veilige rusthaven vinden als alternatief voor het gevaarlijke straatleven.

Wat hier bij elkaar komt is schaamtewekkend voor de mensheid. De jongste is zes en haar huis is een portiek in de buurt van de kerk. Ze heeft geen ouders die haar instoppen, geen schoenen, überhaupt geen kleren behalve de vodden die ze om haar lijfje draagt. Ze heeft nog nooit haar tanden gepoetst voor zo ver ze die al heeft, maar is gelukkig een vaardig dievegge, zodat ze in elk geval haar dagelijkse kostje bij elkaar weet te schrapen. De oudste is rond de veertien, daarna komen ze niet meer binnen want rond die leeftijd zijn ze onhoudbaar geworden, te verdoofd door lijm en alcohol, volledig onvatbaar voor rede en letterlijk in staat tot moord, als ze niet al gestorven zijn aan een longziekte van het snuiven.

In hun keiharde milieu geldt het recht van de sterkste, net als in onze keiharde maatschappij, maar hier gaat dat met fysiek geweld, niet met ingewikkelde manipulatieve trucjes zoals in onze eigen samenleving.

De eerste dag ben ik bijna in het ziekenhuis beland toen ik tussenbeide probeerde te komen in een steengevecht, waarvan ik later begreep dat dit dagelijkse kost is. Wie kwaad is pakt een aardige kei en mikt daarmee zo hard mogelijk op het hoofd van zijn doelwit. Er wordt gegooid om te raken, niet om te dreigen. Alles en iedereen wordt getest, ook die achterlijke blanke idioot die dacht dat hij zelfs hier met een leuk verpakt doosje liefde wel wat geluk zou scheppen.

Het is in dit rauwe en van alle franje ontklede milieu dat ik mij verreweg het best thuis voel. Hard maar fair, elk kwartier een knokpartij die eindigt in tranen, elk uur wordt er eentje naar buiten geflikkerd die iets onhoudbaars heeft uitgevreten, maar alles is hier duidelijk en open.

Om mij het best te identificeren met Lijmen Luisje en kornuiten ga ik hier gekleed in mijn alleroudste en meest vieze T-shirt en gore korte broek en loop ik verplicht op blote voeten over het met grind en stenen bezaaide veldje. Tijdens de eerste voetbalpot deed ik nog een lafhartige poging om mijn sandalen aan te houden en zo mijn tere voetzooltjes te beschermen tegen glasscherven en ander scherp materiaal, maar als enige met de luxe van schoenbezit is dat een beetje oneerlijk dus de tegenpartij wist mij al snel van mijn schoeisel te ontdoen. Ik wierp nog flauwtjes tegen dat blanken geen eelt hebben maar dat werd terzijde gewuifd als een belachelijk argument en nu strompel ik dus hinkend en kreunend als sloomste van het hele stel achter de bal aan.

De jongste geven zich al gauw over aan het kind zijn en willen in de lucht gegooid worden, komen een knuffel halen of tegen je aan hangen. Maar hier word je snel volwassen en elf is al te oud om nog klein te mogen zijn. Het wantrouwen jegens grote mensen is hier nog veel duidelijker dan in het weeshuis en dat is ook niet zo vreemd als je ziet hoe deze kinderen als vuil stront behandeld worden.

Zo is er Carlos van acht die vrolijk in mijn nek klimt voor een rondje hobbelpaard en er op los ratelt in zijn onverstaanbare Spaans, terwijl broertje Oscar van tien zich dat niet meer durft te permitteren. Telkens als ik een plotse beweging maak duikt het jongetje weg als een geslagen hond en ik vermoed dat hij thuis, want deze twee hebben nog wel een dak boven het hoofd, aardig wat rake klappen opvangt voor zijn jongere broertje als paps weer eens bezopen thuis komt.

Soms laat Oscar zich even gaan en lacht om een grapje van mij om zich dan binnen tellen weer te vergrendelen achter zijn eigen veilige hek, en pas na dagen van voorzichtig en aftastend om mij heen dralen pakte hij plots het kettinkje beet dat ik om mijn nek had. Dat heb ik in Guatemala gekocht en heeft veel blauwe en paarse palmboom kraaltjes die hij blijkbaar mooi vond en toen hij het echt niet meer kon houden kwam de grote vraag: ‘Of hij misschien dat kettinkje zou mogen hebben?’

Dat vond ik best dus spontaan deed ik het hem om zijn nek en de jongen was zo verbaasd over deze aardige geste van een volwassene, dat zijn mond openviel en hij mij aankeek alsof ik krankzinnig was geworden. Een minuut later was hij verdwenen uit de Patio, vermoedelijk uit angst dat ik nog van gedachten zou veranderen.

Reageer