Van het voedingscentrum gaat het naar het weeshuis, waar 39 jongens en meisjes wonen. De jongste kinderen zijn soms doorstroom uit het voedingscentrum als de ouders ze daar nooit meer vandaan komen halen en zodoende zit zuster Terrecita, de moeder overste compleet met nonnenkap en van die dikke nylon steunkousen in de tropische hitte, regelmatig opgescheept met zesjarigen die nog niet hebben leren praten. Deze typisch uit een Engelse kostschoolfilm uit de jaren vijftig herrezen vrouw is streng maar gelukkig ook rechtvaardig en ze houdt ondanks zichzelf wel van kinderen zodat binnen luttele weken de eerste woorden eruit geperst worden, eerst goedschiks en als dat niet lukt net zo makkelijk kwaadschiks. Vandaar dat ik mijn Alfredootje maar vast wat leer pruttelen, dan heeft hij een comfortabel voorsprongetje voor hij in de heksenhanden van zuster Terrecita belandt!
De eerste vraag die mij gesteld werd door al die 39 kindermonden was: ‘hoe lang ga jij blijven?’ want al hun surrogaatmoeders en -vaders zijn net zo wit als ik en allemaal laten ze hun kroost na een tijdje weer in de steek, dus ze hebben wel geleerd op hun hoede te zijn voor ze al te veel van een volwassen iemand gaan houden of hechten. Als je ouders er niet zijn en elke twee maanden een gedeelte van de opvang wisselt, kan ik me zo indenken dat je niet echt een hoge pet op hebt van alles wat ouder is dan twintig.
De volgende vraag, die de eerste dagen met regelmaat terugkwam was: ‘blijf je ook bij ons slapen?’ en die vraag begreep ik pas toen op een middag een opgewonden zes jarige Isaac mij in de armen viel terwijl ik aan kwam lopen en met van angst groot opgezette ogen plechtig verkondigde: ‘er is geen stroom’. Ik kon mij niet echt voorstellen dat dit een probleem was want in dit land valt elke week de stroom wel een paar uur uit en zelfs ik heb in mijn luxe appartementje ’s nachts geen water omdat dat afgesloten wordt wegens bezuinigingen, maar toen ik met vragende ogen naar hem keek sputterde Isaac verontwaardigd: ‘weet je wel hoe veel spoken hier wonen en hoe eng dat is in de nacht?!’
Isaac stamt duidelijk af van een Afrikaanse negerslavenfamilie die hier 150 jaar geleden op de Cariben beland is en zich sindsdien vermengd heeft met indianenbloed, met als resultaat een donkerbruin kleurtje met strakke indianenharen en zeer bolle wangen met smaklippen.
Laatst moest hij vreselijk nodig naar het toilet maar vanwege uit de hand gelopen keetpartijen onlangs in het douchehok is nu het wc-papier door Terrecita en consorten achter slot en grendel gelegd en wie nood heeft moet bij een dienstdoende dame aankloppen en krijgt dan een 1-persoons rantsoen mee. Er was echter geen dame in de buurt dus wanhopig kwam Isaac op mij afstormen met één hand volkomen nutteloos als een soort bescherming om zijn negerbillen geklemd en zijn hamsterwangen nog boller dan anders. Of ik hem alsjeblieft kon helpen! Neen, dat kon ik natuurlijk niet want ik had geen sleutel voor de wc-papierkluis maar ik heb toen wel geleerd om continu een rolletje bij me te dragen voor het geval ik eens in Isaacs schoenen kom te staan.
Spookangst, vandaar die vraag over slapen blijven. Er is hier in de nacht maar één vrouw aanwezig en die slaapt apart in een kamertje heel ver weg. Navraag bij de oudsten leerde mij dat ook zij de nacht allemaal heel eng vinden, maar om nou ook nog nachtspookwacht te worden van 39 wezen gaat me echt iets te ver…
Net als het voedingscentrum, is ook het weeshuis gebouwd dankzij een vette donatie. Resultaat is een ruim opgezet gebouw met een eetzaal, een studielokaal, slaapzaal voor de kleine meisjes, voor de grote meisjes en voor de jongens, grote keuken, waslokaal…en dat alles op vijf kilometer buiten de stad in een enorm weiland met mango- en limoenbomen, bananenpalmen en speelruimte.
Er gaat geen dag voorbij of er komt een Monchichi trots als een pauw met een vondst aanlopen, zoals een 7 cm lange kakkerlak, een sprinkhaan van een formaat dat bij ons meteen in het Guinness boek of records komt, of een staartloze kameleon die van schrik twaalf kleuren uitstraalt. Hoe ik ze ook probeer uit te leggen dat al die beesten zonder hun goedbedoelde interventies een veel prettiger leven leiden, er wordt gejaagd en dat gebeurt met verve. Ik heb ze formeel en streng verboden om met slangen aan te komen, hetgeen een ware heksenjacht op deze arme beesten heeft ontketend, want de grap is nu natuurlijk om de grote witte man bang te krijgen.
Monchichi’s noem ik ze, omdat die pluche aapjes die vijftien jaar geleden in Nederland zo populair waren, exacte kopieën zijn van de jongetjes en meisjes die hier lopen, compleet met hol naar buiten staande oortjes, wipneus en kaneelkleurig gelaat. Ik weet zeker dat meneer Monchichi destijds gewoon in een Hondurees weeshuis op bezoek is geweest voor inspiratie.
Vaak is het dolle pret en dikke keet. Soms is het een brok in de keel en even doorbijten.
Zo hebben we hier Army van acht wiens voortanden niet willen doorkomen, vermoedelijk vanwege melktekort. Hij kan ondanks zijn flinke leeftijd nog steeds niet praten en loopt met regelmaat gefrustreerd en wild gebarend rond om iets duidelijk te maken, wat natuurlijk niet lukt. Boos gaat hij dan op een wipje zitten om telkens dezelfde beweging te maken, op en neer, harder en harder, tot het onvermijdelijk mis gaat en hij zich een buil valt. Elke dag probeer ik het woordje ‘lima’ met hem te oefenen want dat vindt hij mooi maar het komt er nooit goed uit, tot hij rood van machteloosheid wegrent of mij hulpeloos huilend aanstaart, kwaad om mijn aanhoudendheid die hij ziet als wreedheid. Nou moe, als je Terrecita in je leven hebt ben ik toch echt een lieverdje hoor!
Of Teresa van negen, die het ene moment tegen mij aankruipt, knuffels en aandacht wil en er als een gek op los kletst, om het volgende moment stijf op haar rug naar het plafond te gaan liggen staren zonder te reageren op kietels, woorden, knuffels of een duw, zichzelf hermetisch afsluitend van de grote boze wereld….
En dan nog Felipe met zijn voetgebrek, de ene voet iets kleiner dan de ander maar geen geld voor aangepaste schoenen zodat hij mank door het leven gaat en zo met zijn linkervoet over de grond sleept dat de zool kapot is en zijn tenen inmiddels ook. Hij gaat sokloos met die kapotte voeten in die foute schoenen. Laatst kon ik hem met veel overredingskracht en een kleine fysieke inspanning zo ver krijgen dat hij zijn schoenen uittrok. De lucht die vrijkwam stonk naar onverzorgde wond en oud bloed, maar er is geen geld voor een zalfje of een dokter, laat staan voor een goed paar schoenen. Ik heb hem maar verplicht om sokken aan te doen en Terrecita en consorten gewaarschuwd, die schouderophalend zuchtten: ‘tja, we willen wel maar we kunnen niets’.
Net als in het voedingscentrum zou ik ook hier mezelf graag in velen willen delen zodat ik genoeg aandacht aan ieder kind kan schenken maar het gaat niet. De één wil een kaartspelletje doen terwijl nummer twee liever wat sommen nakijkt, nummer drie wil gewoon haar hoofd in je schoot leggen en de vierde wil even kletsen over de dag van gister of over dat verre onbekende Europa en het gaat niet, ik kan het niet. Ik ben maar één Bas en zij zijn met 39.
We hebben een dokter nodig, een logopedist voor Army, die dan binnen een jaar kan praten, dat weet ik zeker, een psycholoog voor Teresa en met name voor elk wat meer liefde en begeleiding van volwassenen.
Ook hier liep ik de eerste dagen hopeloos, hulpeloos en moedeloos verdwaasd rond, geschrokken van de tekorten en de berustende continue vrolijkheid van de leiding. Nu ga ik ook die kant uit en leer roeien met de riemen die we hier hebben. Waar je in Europa met geld binnen een uur een probleem oplost, leer je hier gewoon met dat probleem leven en probeer je het te verlichten met het weinige dat je tot je beschikking hebt.
Het weeshuis maakt geen deel uit van het Proniño-project maar van een ander hulpverleningsprogramma in El Progreso.





