Twee weken geleden is het nu dat ik hier zonder enige ervaring in het diepe gegooid werd als vrijwilliger en inmiddels heb ik drie banen, ruim honderd zonen en dochters, en een schat aan ervaringen.
De eerste week was ik hulpeloos verloren, diep ontdaan door de ellende, de armoede en de verraderlijke scherpte van de hardheid in de maatschappij die je hier zo overrompelt dat je er niet onder vandaan kunt kruipen, behalve door weer in het vliegtuig naar huis te stappen.
Woelend in bed lag ik te malen over oplossingen, gefrustreerd over de houding van de rijkerikken hier ter plekke van wie een gedeelte bewust het gezicht wegdraait als een straatkind de hand ophoudt, machteloos omdat ik over voldoende geld noch liefde beschikte om het ondraagbare leed te stelpen, verbolgen om de desinteresse van het arrogante, decadente westen. Menig keer hapte ik een gat in mijn kussen om de tranen te verbijten.
Inmiddels is de verschrikkelijke klaagzang van tranen eruit. Verschrikkelijk, wat heet, nog geen drie kwartier en nauwelijks een halve toiletrol gebruikt. Inmiddels ook is de berusting een beetje wedergekeerd en ben ik beter in staat de blijheid te voelen die hier even zozeer elke dag aanwezig is.
Dat wil niet zeggen dat ik hier onverdeeld gelukkig ben. Soms zit ik na een zware dag stuk, soms ben ik ’s ochtends te leeg om op te kunnen staan. Meestal gaat het me beter af en fiets ik neuriënd naar mijn werk, pak een straatkind bij de hand om eten met hem te gaan halen en geniet van wat ik krijg aan liefde en aandacht van de kinderen.
Nu ik wat ritme te pakken heb, ben ik aardig in staat mijn tijd goed in te delen. In de ochtend wacht mij de zwaarste taak, het voedingscentrum. Ruim eenderde van de jeugd in Honduras lijdt aan ernstige ondervoeding. Ouders willen veel kinderen omdat die de garantie voor hun oude dag zijn. Pensioenen, verzekeringen, uitkeringen, men kent het niet, men maakt eenvoudigweg zo veel mogelijk koters, in de hoop dat zij die het overleven de ouders tot de dood verzorgen. Helaas zijn een aantal van die ouders uit geldgebrek niet in staat hun kroost te voeden, of ze zijn simpelweg zelf nog kinderen, die een ongelukje zijn begaan, en niet de zorg voor een baby kunnen dragen.
Elke dag zit ik onder de poep en de troep en de pies en vaak als ik na twee uur het centrum verlaat, beloof ik mezelf dat ik er nooit meer naar toe hoef maar telkens als ik binnenkom steekt er uit 22 minimondjes een ritmisch ‘papa, papa, papa,’ op en ben ik weer ontroerd en verkocht. In het huis werken alleen vrouwen dus alles wat naar baard en broek riekt en maar enigszins voor vader door kan gaan krijgt die titel meteen toebedeeld.
Op de speelvloer zijg ik neder en word binnen luttele tellen letterlijk overvallen door een zwerm kleintjes. Zo hebben wij de gezusters Yuliza en Jessica , respectievelijk vijf en vier. Deze parmantige pruttelaars zijn ondanks hun jonge leeftijd reeds in het bezit van een groteske, haast lachwekkende lelijkheid. Steeds als ik ze aankijk ben ik weer oprecht verbaasd dat zo’n immense lelijkheid zich verzamelen kan in zo’n klein gezichtje. Yuliza lijkt als twee druppels water op die 70 jarige verschrompelde dametjes uit Grozny in Tsjetsjenië die je wel eens op tv ziet als er daar weer een bom is gegooid door de Russen en zusje Jessica doet niet onder voor een gemiddelde vluchtoma uit een Kosovaars opvangkamp voor hongerlijdende daklozen.
Yuliza heeft besloten dat ik haar vader ben met als gevolg dat zij steevast op mij probeert te kruipen en onlangs heeft ze ontdekt dat ze dat het langst volhoudt door languit met haar hele vijfjarige omalichaampje over mijn knieën te gaan liggen zodat ik links klem zit tussen haar benen terwijl zij mij rechts in de houdgreep neemt met haar schoudertjes. Als je dan bedenkt dat gelijktijdig zo’n twaalf andere kinderen hetzelfde trucje proberen uit te halen kun je je voorstellen dat ik met regelmaat gruwelijk halsbrekende toeren uit moet halen om mij te bevrijden van dat grut.
Drie kwart is nog in de luierfase en omdat we geen geld hebben om allerlei maatjes en frutseltjes aan te schaffen is er alleen een goedkope namaak versie van de pamper medium met als gevolg dat de ene helft van de kinders een te grote en de andere helft een te kleine luier om de billen heeft.
Wie een te kleine luier om heeft moet heel hard persen en als dat dan gelukt is bevrijdt zich een imposante stroom poep via dijen en onderrug. Wie een te grote luier heeft leidt een luchtiger bestaan en in dat geval kan eerdergenoemde poepstroom vrijelijk haar gang gaan over het gehele babylijfje. Saillant detail van deze beschrijving is dat vanwege de ernstige voedseltekorten en buikparasieten en in sommige gevallen tyfus waar al deze kinderen aan lijden zij zonder uitzondering de meest vreselijke vormen van diarree hebben. Geef ze een uur en het hele speellokaal zit onder, ik incluis, hoe ik ook mijn best doe om buiten schot te blijven.
Het vreselijke karwei van het luiertje verwisselen heb ik tien dagen lang weten te vermijden door snel te gaan afwassen als het zo ver was, een vele malen leuker klusje dan 22 paar bediarreedde billen schoonvegen, maar toen kwam Katja, de Vlaamse vrijwilligster, mij vrolijk vragen of ik me wellicht wilde wagen aan deze kerntaak van de babyhulp. Dit kon ik niet weigeren, ik besloot een moderne man te zijn en alle voorheen vrouwelijke taken ook op mij te nemen. Kordaat en vastberaden trad ik de wisselkamer binnen. Iedereen onder jullie die moeder of vader is of tante, oom of onder wat voor noemer dan ook wel eens een babyluier verwisseld heeft weet wat een intense geuren baby’s uit die piepkleine lijfjes weten voort te brengen. In onze wisselkamer komen dus tweeëntwintig van zulke lijfjes met voedselproblemen samen op de pot.
Paniek….ik kreeg gewoon een paniekaanval…..en heb nu luierwissel dispensatie gekregen van de dames dus vol enthousiaste dankbaarheid gooi ik me elke ochtend op een enorme afwas, terwijl zich tien meter verderop de meest verschrikkelijke taferelen afspelen. Wie schoon is komt naar mij toe hobbelen en als een echt volleerde vader, compleet met luierangst, breng ik dan de desbetreffende fris riekende Hummel naar zijn ledikantje, om daar vader Jacob te gaan zitten zingen (gewoon in het Limburgs, verstaan ze ook wel) en lendenen te kietelen en met mijn mond proestgeluiden te maken op buikjes voor het slapen gaan. Dit laatste spelletje was tot voor kort in Honduras onbekend maar is nu met stip gestegen tot meest populaire keetactie voor het slapen gaan, zodat ik steevast tweeëntwintig buiken moet bemondproesten, elk twee maal, voor mijn zware taak er op zit.
Dit is de vrolijke kant maar zoals elke medaille heeft ook deze een wat meer duistere zijde. Er werken hier bij toerbeurt elf vrouwen, gemiddeld vijf per keer, die elk druk zijn met wassen, koken, bedden opmaken, luiers verschonen etc…
Niemand, maar dan ook niemand, heeft tijd om deze kindjes een handjevol liefde of aandacht te geven en dat is nou juist wat zo nodig is voor een beetje babygeluk. Katja, een vrijwilligster uit Vlaanderen, werkt hier al vier maanden lang acht uur per dag en ik heb diep respect voor haar. Zelf ben ik na twee uur aan het eind van mijn Latijn en zielsgelukkig als ik het centrum weer kan verlaten terwijl dit sterke meisje dat nog maar net twintig jaar is, dag in dag uit doorbikkelt. Zij, en sinds een tijdje ik, zijn de enigen die spelen, die ze optillen, ze tegen ons aandrukken voor een knuffel. Zelfs de oudsten van vijf kunnen niet praten, geen kleuren onderscheiden, hebben nog nooit een viltstift in hun handen gehad en kennen geen ouderliefde.
Als er ouders zijn worden die gevraagd om te komen helpen en aandacht te geven aan hun kind maar vrijwel niemand doet dat. Vaders zijn te macho, moeders te druk met hun twaalf andere koters, ze hebben het kwartje voor de bus niet, of ze schamen zich te diep dat ze hun kind hebben afgestaan, dus we hebben hier eigenlijk enkel wezen. Er is geen onderwijs, te weinig spelletjes, te weinig van alles. Niemand heeft eigen kleertjes, er ligt gewoon een stapel waar je wat van afgraait. Niemand heeft een eigen bedje, wie het eerst komt wie het eerst maalt. Niemand van deze kindertjes heeft iets dat van hem of haar is, zelfs geen eigen echte moeder.
Alfredo van vijf is idolaat van mij en hangt aan me van het moment dat ik binnenkom tot ik wegga. Hij klemt zijn handjes om mijn polsen heen en weigert los te laten. Elke dag oefen ik met hem om zijn naam te leren zeggen en we zitten nu op aaaallllllll—–ffffrrrrrreeeeee. Als hij het goed doet mag hij als beloning op mijn schouders en tegen de tijd dat ik wegga kan hij Alfredo net zo goed uitspreken als ik, want het is een kanjer dus dat lukt hem.
Het centrum is gebouwd met een Amerikaanse kerkgift van 100.000 $ (90.000 euro), een kapitaal voor deze contreien, en is daarom één van de mooiste van het land. Helaas zijn we verleden week een maandelijkse bijdrage van 2.000 $ (1.800 euro) van een soort mini foster parents programma kwijtgeraakt. Waarom? Omdat er daar een bestuurswisseling heeft plaatsgevonden en de nieuwe directeuren hebben besloten dat donatuers van nu af aan het recht hebben om een kind fictief te adopteren. Het gedoneerde geld moet dan voor die specifieke kleuter gebruikt worden.
Niet ieder kind wordt ‘geadopteerd’, met als gevolg dat vanaf nu sommige kinderen nauwelijks meer te eten zullen krijgen terwijl anderen tot wel vijf kaviaar maaltijden per dag voorgeschoteld gaan krijgen en rondhuppelen in dure merkkleertjes. Bovendien zouden er dan iedere maand kiekjes geschoten moeten worden en naar de betreffende ‘ouders’ worden gestuurd, met een brief van ‘hun’ kind er bij. Deze kinderen kunnen hun eigen naam niet eens uitspreken, hoe kunnen die ooit een brief schrijven aan onbekende mensen in een vreemde taal?
De mensen van ons voedingscentrum hebben onophoudelijk proberen uit te leggen dat wij zo niet kunnen werken, dat ieder kind een gelijke behandeling verdient en dat het en dat het onmogelijk is om voor de een rosbief te bakken en de ander droge rijst voor te schotelen, dat er tijd noch geld is om foto’s te maken en brieven te schrijven.
Soms is het probleem dat donateurs vergeten dat het kind hen niet kent, niet die lieve brief heeft geschreven, zelfs hun taal niet spreekt – noch die van hemzelf overigens – en dat vanwege dit systeem andere kinderen wellicht basisbehoeften worden onthouden. Bovendien raakt het ‘geadopteerde’ kind zijn privileges kwijt wanneer de ‘ouders’ besluiten om hun donaties stop te zetten.
Om een gemeenschap te helpen ontwikkelen is het belangrijk om de hele gemeenschap te steunen en niet slechts enkele individuen gedurende een bepaalde tijd ten koste van de rest van de groep. Zoals Ana terecht zegt: ‘alsof je een kind brandweeroefeningen leert maar het wel in de val laat leven’. Op lange termijn doet zo’n systeem waarschijnlijk meer kwaad dan goed.
Het voedingscentrum en het nieuwe bestuur konden het hierover niet eens worden en in plaats van toe te geven aan hun voorwaarden, zodat het geld bleef binnenstromen en we op korte termijn konden profiteren, heeft het centrum besloten het adoptieprogramma te verlaten en door te gaan met alle kinderen gelijk te behandelen, om ondertussen op zoek te gaan naar nieuwe inkomstenbronnen. Iedere keer opnieuw ben ik zo onder de indruk van Ana’s vermogen om elke situatie te accepteren zoals die is en trouw te blijven aan haar overtuigingen. Terwijl ik als beginnende nieuweling zo gefrustreerd ben over deze financiële aderlating, blijft Ana kalm en vertrouwt erop dat er een oplossing gevonden zal worden.
Het voedingscentrum maakt geen deel uit van het Proniño-project maar van een ander hulpverleningsprogramma in El Progreso.

In Europa heb ik een handjevol flinke optrekjes mogen aanschouwen, maar die worden gereduceerd tot armzalige doorzonnetjes vergeleken met het kasteel waarin ik nu ben beland. Ik maak me al lang geen zorgen meer over dat tuinhuisje en inderdaad, het blijkt twee keer het formaat van mijn huisje in Val Thorens. Er is een badkamer met warm waterdouche, zeer zeldzaam hier, een heuse echte tuinhuisjesairco, een zithoek, en ik ben nog niet binnen of een charmante jongedame gaat mijn bed opmaken.
Tja, zo raakte ik hier dus pardoes verzeild in de rijkste sociale echelons die dit land kent en ga om met meer miljonairs dan ik in Europa ooit ontmoet heb. Een deel van de rijkerikken blijkt niet bepaald begaan met het lot van hun minder bedeelde landgenoten. Anderen echter nemen wel degelijk verantwoordelijkheid en helpen waar ze kunnen. Zo zijn er Jorge en Elizabeth Mealer, die op eigen houtje besloten om een project op te zetten dat straatkinderen een waardige toekomst biedt. Of wat te denken van Ana Tower, een Amerikaanse die hier enkele jaren geleden als bij toeval terecht kwam en die mij begeleidt bij mijn eerste stapjes in de warrige wereld van de vrijwilliger. Zij bestiert een weeshuis en een centrum voor ondervoede baby’s. Toen ik haar vroeg of ze hier lang zou blijven lichtte het vuur in haar ogen op: ‘Bas, op het moment dat ik voor het eerst deze stad binnenreed wist ik dat ik hier zou sterven, ik blijf hier tot het eind want ik hoor hier te zijn’.



