Archive for 2002

Geef een kind een kans, schenk de wereld balans

26 oktober 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020901Op de dag dat ik in El Progreso aan was gekomen, stapte ik in een bus om een stadje in de buurt te gaan bekijken. Samen met mij stapte een meneer in die het woord van de Here Jezus kwam verkondigen. Dat is hier vrij normaal, soms deel je de bus met pillenslijters, waterverkopers of mensen die je batterijen of antennes proberen aan te smeren, en op zijn tijd hoort daar een evangelist bij.

Op zijn zee van zalvende woorden dommelde ik al snel in, tot ik wakker schrok bij het woord ‘Holanda’. De man bleek een vurig anti-Nederland betoog te houden. In dit verziekte Sodom en Gomorra mochten homoseksuelen met elkaar trouwen en kinderen adopteren en lieten mensen zich bovendien vrijwillig vermoorden als ze ziek waren. Het publiek hing aan zijn lippen en ik stelde mij al het gejuich en gejoel voor indien hij had opgeroepen tot een boycot van de Shell en de Philips-gloeilamp.

Vertekende denkbeelden komen nogal eens voort uit gebrek aan evenwicht in het leven van een individu of een groep. Soms is armoe daar debet aan, vaak een verwrongen interpretatie van eeuwenoude geschriften of een mengsel daarvan, en angst is meestal de wortel die daar onder verscholen gaat. Angst voor verandering, angst voor machtsverlies, angst dat de eigen denkbeelden fout blijken.

De geschiedenis leert ons dat op aarde het evenwicht door de tijd altijd weer in ere wordt hersteld. Alle rijken die we gekend hebben zijn na het toppunt van hun macht de ondergang tegemoet gegaan, al duizenden jaar lang en zonder uitzondering.
De Perzen, de Egyptenaren, de Grieken en ook Caesar, Nero en hun vrienden in Rome, hebben stuk voor stuk gedacht dat ze het eeuwigdurende rijk hadden gesticht. De Franken hebben het niet gered en Napoleon heeft zijn Waterloo gekend. Een radicaal voorbeeld is Hitler, die met zijn wanstaltige Dritte Reich de balans wel zodanig verstoord heeft dat twee decennia nadat hij aan de macht was gekomen, het evenwicht godzijdank alweer hersteld werd. Het Commonwealth van her Majesty the Queen is uit elkaar gebrokkeld en moedertje Rusland, de laatste in het rijtje tot nu toe, is in een paar jaar tijd een zieke oude oma geworden.

Ook nu bestaat er op aarde een ernstig gebrek aan evenwicht. Dit is oorzaak van veel misstanden die pas definitief kunnen worden opgelost wanneer de balans wordt hersteld; tussen rijk en arm, tussen religies, tussen volkeren, tussen mens en natuur.
Volgens mij is het nu tijd om die balans vrijwillig te herstellen. Op het internet las ik dat een onderzoek van de Verenigde Naties in 1999 uitwees dat de 225 rijkste mensen op aarde even veel bezaten als de 2,5 miljard armste.

Voor wie niets heeft is een druppel een kostbaarder bezit dan een zwembad voor iemand met een oase. Wie een oase heeft kan vaak de waarde van een druppel niet meer inschatten, maar als iedereen een paar druppels geeft heb je al gauw een dorstlessend glas.
Iedereen hoeft alleen een stukje verantwoordelijkheid op zich te nemen. Als individu en op groepsniveau. De rijken door de armen naar redelijkheid te belonen voor hun werk als koffieplukker of klerenwever. De vleeseters door dieren respect te tonen en ze niet schaamteloos te mishandelen tot onvermijdelijk de meest vreselijke ziektes uitbreken. Tenslotte zoekt ook hier de natuur naar herstel van evenwicht dus zullen de koeien en de varkens gewoon bij bosjes blijven sterven tot we eindelijk ons beestachtige gedrag veranderen. De streng gelovigen door in te gaan zien dat wellicht hun interpretatie van god niet de enige juiste is. De energieverbruiker door schone energie te maken van de zon, het water of de wind. De hele wereld door nu eens te gaan beseffen dat je uiteindelijk allemaal beter af bent als er evenwicht is, dus als je iets weggeeft van wat je te veel hebt en afblijft van wat je niet toekomt.

‘Ach, was ik maar de president,’ zuchtte het jongetje dat voor alle vragen een oplossing dacht te weten, maar zelf nog zo veel leren moest.

Jorge kwam al een paar dagen naar de Patio met een diepe snee in zijn voet, die bij gebrek aan schoenen telkens viezer werd. Uiteindelijk heb ik een antibioticumzalf voor hem gehaald, en twee paar sokken om zijn wond te beschermen. Schoenen kon ik niet kopen want Jorge is tenger, die raakt binnen een uur zijn gympen kwijt aan een sterker jongetje. Zielsblij met al die aandacht viel hij om mijn nek en toen de wond allang weer dicht was kwam hij nog steeds elke dag leuren om een beetje zalf, een pleister en vooral een knuffel.

Dat is een druppel. Maar wie heeft het lef om tegen Jorge te zeggen dat die druppel verdampt op zijn gloeiende plaat hopeloosheid? Wie durft dat kind van elf te vertellen dat zijn miserabele, zielige leventje over een jaar of vijf vermoedelijk toch zal eindigen met een overdosis lijm op een keihard bankje in een park op een kille nacht? Een nacht zonder sterren waarin zijn aan elkaar geplakte longen de moed opgeven en hij moederziel alleen sterft zonder ooit de liefde te hebben mogen omarmen.
Als dat ooit gebeuren zou, dan heeft Jorge in ieder geval één keer geweten hoe het is om een beetje verzorgd te worden, dan heeft Jorge in ieder geval één keer gevoeld hoe het is als er iemand een beetje van je houdt…

Dankzij de gezamenlijke inspanningen van Hondurezen, Amerikanen en Europeanen, die aanvoelen dat het herstellen van evenwicht belangrijker is dan onderlinge verschillen, krijgen Jorge en zijn vriendjes en vriendinnetjes een kans op een waardige toekomst.

20020902Iedere dag sterven er in deze wereld 30.000 kinderen van onder de vijf jaar aan ondervoeding en slechte hygiëne. Dat komt overeen met tien Pentagonvleugels, twintig ingestorte tweelingtorens en veertig passagiersvliegtuigen. Elke dag, ook op zon- en feestdagen. Kinderen van boven de vijf jaar en volwassenen niet meegerekend. De tijd is rijp om daar iets aan te doen.
‘Neem je me mee? Mag ik met je mee naar jouw land?’ Luis kijkt me aan met die priemende ogen en ik voel me al schuldig nog voor ik een antwoord verzin…. ‘Dat vind je niet leuk Luis, in mijn land is het koud en daar hebben we geen paarse bonen en geen tortilla’s’.

‘Dan koop je toch een jas voor me, jij bent rijk. Bovendien ben je best dik dus je zult heus wel lekker eten’. Ik ontwijk zijn blik en zeg dat we in mijn land zijn taal niet spreken maar hij werpt tegen dat als ik Spaans heb geleerd, hij vast ook wel mijn taal kan leren.

Waarom voel ik me gemeen, ik heb toch genoeg gegeven, ik ben toch niet schuldig? ‘Luis, ik heb maar een heel klein huisje’. ‘Oh dat geeft niks hoor, ik heb géén huis dus ik ben al heel blij met een matras in een hoekje’.

Ik kijk van hem weg. Ik voel dat ik ga huilen als ik nog één keer in de diepte van die ogen staar. Laffe lul, niet durven huilen waar dat dappere kind bij is, bang om je zwakte te laten zien, angst om eerlijk te zijn. Maar ik voel me zo verschrikkelijk dat ik mijn onmacht en verdriet fysiek kan voelen. De wanhoop steekt als een spies door mijn buik tot ik kramp krijg en de ellende drukt op mijn borst tot mijn adem er van stokt. Hij belooft dat hij de hele dag netjes voor de tv zal zitten, want die heb ik vast. Gaat niet Luis. Of dat hij mij kan helpen met mijn werk, of mango’s en kokos verkopen op straat, zodat hij ook wat geld in het laatje brengt. Kan niet Luis. Naar school dan, lijkt hem prachtig om zijn naam te leren schrijven. Vergeet het maar Luis. Geen paspoort… hij verstopt zich wel in mijn bagage… onmogelijk Luis…

God lieve hemel, laat hem ophouden met deze marteling, ik wil het niet weten, hij kan niet mee. ‘Maar Luis, ik kan toch niet zo maar jouw vader zijn?’ probeer ik met de moed der wanhoop. Weer die ogen die door me heen prikken. ‘Tuurlijk wel, ik heb geen vader en ik vind jou heel leuk dus je mag het wel worden hoor’.

Er rolt een traan over mijn wang. Luis vangt hem op met zijn wijsvinger. Hij kijkt er naar en dan kijkt hij weer naar mij. Mijn zoon staat op. Hij loopt van me weg en draait zich niet meer om.

Lieve Luis, bedankt. Je symboliseert voor mij het dualisme van deze wereld. Als ik in je ogen kijk, verdrink ik in de duisternis van je angst maar als ik daarna je hart zie word ik één met het Licht van je Liefde.

Met dank aan alle Kinderen

MET LICHT EN MET LIEFDE

Bas

Mijmerigen van Luis

16 september 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

In de zomer van 2002 hebben een paar mensen van Proniño Luis twee weken gevolgd met een camera en daarvan een videofilm gemaakt. Hieronder volgen een aantal van Luis’ uitspraken.

Ze zijn een keer gekomen, maar ze wilden me niet meenemen. Mijn familie wil me niet. Ik heb geen moeder. Ik heb geen vader. Ik heb geen opa, geen oma. Ik heb een klein zusje.

Mijn moeder is dood. Mijn vader ken ik niet. Mijn opa en oma, die zijn dood.

Ik was vijf toen ik voor het eerst op straat belandde, nu ben ik zestien. Ik heb zo veel pijn op straat, ik word al elf jaar in elkaar geslagen.Vroeger sloeg de politie me in elkaar met honkbalknuppels. Soms verdwijnen er kinderen van de straat. Wat er met ze gebeurt.. ze worden in elkaar geslagen en verkracht, en ze laten ze slechte dingen zien. Het is niet eerlijk, het is gewoon niet eerlijk. Ze maken ze dood en stoppen ze in een zak, of ze verbranden ze.

Ik slaap op cardboard karton in het portiek van een kantoorgebouw in het centrum, of in Los Pasos tegenover Punta Mesapa. Dat soort plekken. En ook in het park. Ik was bang, de eerste keer dat ik op straat sliep.

Ik moet huilen als mensen naar mijn moeder vragen – als ze vragen of ze leeft of niet. Als ze zeggen ‘Heb je geen moeder?’ Of als ze gemeen tegen me doen , als ik om iets vraag, geld of zo, en ze me zeggen dat ik het maar aan mijn moeder moet vragen, dan denk ik er weer aan dat ik die niet heb. Dan begin ik te huilen omdat ze tegen me vloeken en over haar praten.
Ik heb geprobeerd om me zelf dood te maken omdat ik geen ouders heb. Ik moest huilen en toen heb ik een stuk glas gepakt en mezelf gesneden, hier, in mijn nek. Ik was zo kwaad op het leven, geen moeder, geen vader, geen grootouders, niemand.
Ik heb voor het eerst resistol (snuiflijm red.) gebruikt toen een paar jongens me met een mes bedreigden. Ik wilde niet. Ik moest. Ik nam vier snuiven en toen ging ik door het lint en daarna viel ik flauw. Sindsdien gebruik ik.

Anderen (straatkinderen red.) zijn doodgegaan aan de lijm. Ik zie er soms wel eens eentje liggen en denk dan dat hij dood is. Dan ga ik er naar toe en prik hem met mijn vinger, maar ze zijn dan hard en stijf omdat ze dood zijn, dood van te veel lijm.

Sommige mensen zijn bang om me aan te raken omdat ze vinden dat ik vies ben en van de straat, maar bij Proniño zijn ze niet bang voor me want ze weten dat ik een mens ben, net als zij.

Een ongrijpbaar juweel

29 augustus 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020801Ach lief Honduras, ik ken je nog maar zo kort en ben nu al zo verliefd. Net als je statige buurvrouw Nicaragua verleden jaar heb ook jij nu mijn hart weten te veroveren. Ik snap je niet al probeer ik je te begrijpen. Ik zie hoe mooi je bent maar ik mag alleen voorzichtig aan je komen, niet echt tot je doordringen. Je bent een ongrijpbaar juweel voor mij en dat maakt je extra aantrekkelijk.

Je rijke zusters met die soms zo illustere namen als Zwitserland, Verenigde Staten van Amerika of Europese Unie, die mogen jou niet echt. Ze komen graag je schoonheid stelen, ze plukken je bananen en je koffie, zonder je daarvoor redelijk te belonen. Verder gunnen ze jou geen blik waardig. Jij bent Assepoester en zij de echte dochters. Zouden zij vergeten zijn hoe dat sprookje afliep?

Ik heb je glazen muiltje gevonden en hij past want jij bent de mooiste. Als ik aan jouw stranden lig mag ik me naar hartelust wentelen in je golven en privé-kastelen bouwen van je zand. Ik ben alleen met jou want de rest ligt op het ordinaire Zandvoort, het arrogante Cannes of het verdoofde Ibiza. Als ik door je bergen dool neem je me op in je schoot. Dan til je me omhoog zodat ik uit mag kijken over al je schoonheid en mag ruiken aan je maagdelijkheid. Je bomen beschermen mij tegen de regen, je oerwoudgeluiden lossen op in mijn stilte. Dan zijn we opnieuw alleen. Je ruikt naar bloesem, fris en onvervuild.

Je bent zo mooi en zo onhandig, je chaos overtreft je logica, de hitte wint het van je werklust, maar je passie voor de liefde is sterker dan geld en ik proef dat je gelukkiger smaakt dan je rijke zusters. Hoe langer ik bij je ben, hoe mystieker je wordt, hoe meer je fonkelt als een voor mij ongrijpbaar juweel.

Ik zou het over de daken kunnen schreeuwen maar ik fluister het, zodat de rest van de wereld het niet horen kan want dan verlies ik je aan de massa: “Lief Honduras, ik hou van jou.”

Een ontmoeting met de zee

15 augustus 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020701Verleden weekend ben ik naar de zee geweest. Ik had het idee opgevat om met Oscar en Carlos – de broertjes van het pizzafestijn – en ditmaal ook hun zusje Alejandra, naar het strand te gaan.

Het is maar drie kwartier bussen maar geen van hen heeft ooit de zee gezien en ze hoorden toch steeds van die vreemde verhalen. Dat iemand zout in het water had gestrooid, dat je er het eind van de wereld kon zien, dat er zoiets als een golf bestond en dat sommige mensen heel veel betaalden om er met duizenden anderen om een metertje zand te mogen vechten…

Weeshuisvrijwilligster Anji was nieuwsgierig geworden na mijn verhalen over de straatschoffies, die het toch echt nog veel slechter hadden dan de Monchichis, dus samen liepen wij naar de afspraak, waar alleen Oscar bleek te zijn.

Carlos en Alejandra moesten werken – acht en zes jaar jong! – dus wij zouden het die dag met z’n drieën doen. Anji en ik waren een beetje ongemakkelijk nu het jongetje geen speelmaatjes had maar Oscar zelf bleek daar bepaald niet mee te zitten. Die had zijn zinnen gezet op de zee en die zou hij zien, met of zonder broer en zus.

Hij gaat over straat in een opengescheurd zwemvod met een half buitenboord bungelende bil en ik vond een nieuwe garderobe bij zo’n plechtige gelegenheid als je eerste zeebezoek toch wel op zijn plaats.

T-shirts, sokken, onderbroeken, zwembroeken en riemen, waren in een mum van tijd gekocht. Alles in zestallen, twee voor elk kind. Met een prijs van € 1.75 voor een t shirt wordt het verleidelijk een vrachtlading te kopen zodat ze voor drie jaar klaar zijn, maar ervaring leert dat dit averechts werkt.

Zodra de ouder ziet dat het kind meer heeft dan het hoogstnoodzakelijke setje kleren wordt de rest ogenblikkelijk verkocht. Met geld kun je tenslotte eten kopen en meer kleren bezitten dan je aanhebt is een luxe die zij zich niet kunnen permitteren. Wie op straat woont is niet beter af, die raakt zijn extra broek of sokken zo kwijt aan een wat sterker en groter kind, of ruilt het kledingstuk voor een portie eten zodra de honger groter is dan het plezier van de nieuwe spullen.

Als je tien bent en je hebt nog nooit iets van iemand gekregen, zelfs niet voor je verjaardag, ga je huilen wanneer je een T-shirt krijgt en je kunt je de pijn voorstellen als je moeder vervolgens dat T-shirt van je afgraait om het te verkopen, dus ik moest het rustig houden.

Oscar wilde persé ook nog een spijkerbroek. Dit was zeer tegen mijn zin maar toen hij eenmaal een zwart model aanhad, zeven maten te groot, weigerde hij pertinent die nog uit te doen. De broek deed na heftige onderhandelingen ¤ 11,-, een vermogen hier voor een broek en ik zag het absoluut niet zitten, maar het joch werd hysterisch toen ik voorstelde om het maar niet te doen.

20020702Even later zaten we bij mij thuis aan de cornflakes en vroegen we waarom hij toch zo graag die broek wilde hebben. ‘Papa had precies dezelfde aan op de dag dat hij doodging’, spuide Oscar vrolijk uit, met zijn handen over zijn nieuwe aanwinst strijkend. Aaaaiiii, bij deze jong vaderloos geworden schrijver werd een gevoelige snaar geraakt. Ik was zielsblij dat ik me had laten overhalen en hoopte vurig dat mams hem niet zou inruilen voor een zak bonen.

Hij was sowieso elk kwartier nerveus aan het brabbelen over zijn moeder, maar zelfs Anji, die toch een stuk beter Spaans spreekt dan ik, kon niet ontdekken waarom hij toch zo in angst zat dat moedertje lief hem zou slaan wanneer hij weer thuiskwam.

Er was overigens nog flinke overredingskracht voor nodig om de jongen aan een tafel te krijgen en rustig zijn cornflakes op te doen lepelen. Ik weet nu heel goed dat deze kinderen echt honger lijden. Niet zoals ik wanneer ik eens een uurtje op een maaltijd moet wachten maar Honger met een hoofdletter H. Als bedelen en stelen een dagje tegenzitten dan eet je niet, zo simpel ligt dat.

Toch schokte het me diep om het tafereeltje te aanschouwen dat zich afspeelde toen hij mijn koelkast zag staan. Vertwijfeld keek hij mij aan en toen ik beschaamd ja knikte sprong hij als een wild beest met een vraatzuchtige blik in zijn ogen op de deur af, rukte die open en stopte met zijn handen rauwe plakken ham en salami in zijn mond. De melk trok hij slordig en morsend uit het stavakje om daarmee gulzig het vlees weg te spoelen en zich daarna op de kaas te storten. Het leek op een onwerkelijk stukje theater van anderhalve minuut dat speciaal werd opgevoerd om Anji en mij te laten zien wat échte honger is. Pas nadat de ergste nood gestelpt was kon hij gaan nadenken over wat hij eigenlijk lekker vond … en terwijl ik dit schrijf beleef ik opnieuw al die hongerscènes waar ik de afgelopen tijd getuige van ben geweest.

‘Honger Bas, ik heb zo’n honger,’ hoor ik Walter weer zeggen met dat zwakke stemmetje. Walter is een snuivertje van een jaar of dertien en hij heeft in het park zijn eigen slaapbankje waar niemand anders ooit op slapen mag want hij heeft daar cardboardkarton opgestapeld dat extra zacht schijnt te liggen. Bovendien kun je dat eten in noodgevallen want het is redelijk verteerbaar. Of ze dat daadwerkelijk doen weet ik niet, ik heb het van horen zeggen.

Elke avond wanneer ik uit het internetcafé kom sta ik voor een moeilijke keus. Een blokje omfietsen en ongestoord naar huis of de kortere route langs het park waar een dikke kans is dat ik door wat snuivertjes getackeld word. Dat betekent leed aanhoren, geld uitgeven aan eten, knuffels uitdelen, en met een brok in de keel naar huis. Soms heb ik een gierige bui of kan ik dat gewoon niet aan, soms wint de liefde en kies ik voor de parkroute.

Walter of Nelson of die lieve zieke Jonatàn of Lijmen Luisje komen dan aangezwabberd en altijd geef ik dan mij over. Het is verbazingwekkend hoe knuffelziek ze zijn, wat me nogal uitzonderlijk lijkt voor jongens van die leeftijd. Maar als ik mijn armen om ze heen sla en hun hoofd tegen mijn borst druk, kan ik voelen dat het geen welkomstknuffel is maar één met een opmerkelijk mengsel van gevoelens. Ik voel dan tegelijkertijd hun totale overgave, alsook de paniek van de eenzaamheid en de wanhoop. Jonatàn blijft soms wel tien seconden lang gewoon zo staan, zijn stinkende luizenbol vlak onder mijn neus, zijn armen slapjes om mijn middel, alleen maar om een beetje liefde en menselijke warmte te absorberen, waaraan hij zo’n wreed gebrek heeft.

Cornflakes op … en Oscar vertrekt voor een in zijn ogen spectaculaire busrit naar wat wel het eind van de aarde voor hem leek, nog geen uur verderop. Daar kwam het moment waarop de zee en hij elkaar voor het eerst ontmoetten. ‘Oh wat mooi, wat mooi,’ fluisterde hij ontzagvol, en staarde bewegingloos en stilzwijgend uit over het water; een bijzondere pose voor een anders zo rusteloos kind.

We hebben genoten, alledrie. Oscar van het eten dat in overvloed aanwezig was, van de speedboot waar hij eerst niet op en daarna niet meer af te sleuren was, en vooral van het kind zijn. Anji en ik op onze beurt hebben genoten van hem. Hoe hij het water wel zes keer proefde om te zien of het echt zout was, hoe hij in het chicste restaurant van het dorp alles wat hem niet bliefde uit zijn visschotel pontificaal op de grond smeet, hoe hij de rest met zijn handen opvrat, maar vooral van het kind dat we eindelijk voor een dagje zagen opbloeien.

Alleen die moeder, die bleef hem maar telkens de zenuwen bezorgen en er moest een Hondurese negerin die in Houston woonde aan te pas komen om te vertalen. De aap kwam uit de mouw, op zaterdag moest hij voor haar bedelen en als hij niet met genoeg thuis kwam, sloeg zij hem bont en blauw. Eindelijk begreep ik waarom hij toch telkens als een geslagen hond wegdook wanneer ik een plotse beweging maakte. Bij gebrek aan een vader had moeders de mishandelrol overgenomen.

Hoe ik ook aanbood en beloofde om hem het dubbele te geven van een gewone bedeldagopbrengst, het vertrouwen dat iemand hem zou helpen was te broos. Pas terug in mijn huis, met het geld in zijn hand, kwam de gloed van geluk weer even over zijn ogen.

Toen ik Oscar in de bus naar huis zette werd het me even te kwaad. Dat jongetje, drie turven hoog, met die veel te zware zak kleren over zijn schouder geslagen en dat bankbriefje als een schatkist in zijn knuist geklemd, op weg naar de ellende van zijn thuis. Hij keek nog even om en leek verbaasd dat ik net zo verdrietig keek als hij.

Maandag op het honk stond hij trots als een pauw in zijn spijkerbroek te paraderen. Op mijn vraag of hij geslagen was klonk het doodleuk: ‘nee joh man, als ik maar centen voor haar heb dan laat ze me wel met rust’.

Over Goden en geiten

6 augustus 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

Laatst was ik op bezoek in de vrouwengevangenis. Een kerkteam gaat hier wekelijks naar toe om de vrouwen, die vaak voor belachelijk kleine vergrijpen gênant lang moeten zitten, moreel te steunen en rechtshulp te verlenen voor zo ver van recht gesproken kan worden in deze krankzinnige staat. Uit nieuwsgierigheid naar de erbarmelijke omstandigheden waaronder de dames leven en om een beeld te scheppen van hoe het bajesleven er uit ziet als je met negen anderen een kamer van drie bij drie zonder douche deelt, ben ik een keertje mee geweest. Ik heb geprobeerd mijn camera mee naar binnen te smokkelen maar moest die helaas na fouillering achterlaten bij de bewaking, ondanks verwoede pogingen de betrokken beambte te charmeren.

‘Hoe lang denkt u nog te moeten zitten?’, vroeg ik diep onder de indruk aan één van de dames, die al acht maanden eerder haar tijd er op had maar vanwege administratieve rompslomp en een bestuurswisseling in de gemeente nog steeds niet was vrijgelaten. Het uiterst simpele antwoord luidde: ‘zo lang als God het wil’. Eerst dacht ik haar verkeerd verstaan te hebben, maar navraag leerde dat dit inderdaad het geval was, ze bleef zitten zo lang als God het wilde. Over fatalisme gesproken.

Eenmaal terug buiten zat ik met mijn drie kerkgenoten bij 37 graden in de schaduw op een steen te wachten op de bus. Eén van hen was een goedlachse negerin met een flinke boezem en een grijzende bos kroeshaar. Een ander een gigant van een vrouw, groter dan ik, gedrapeerd in een soort tent met bloemetjesmotief en onwel riekend naar ingetrokken zweet. Zij had anderhalf uur gereisd om twintig minuten het woord van Jezus te verkondigen en moest nog anderhalf uur terug. Hier ontkwam ik wederom niet aan die telkens terugkerende vraag: “hoe Christelijk ben jij?”

Nu bevind ik mij momenteel in een overgangsperiode van absolute heiden naar een steeds dieper spiritueel leven zonder ook maar enige conventionele geloofsrichting aan te hangen en dit maakt het antwoord een hachelijke zaak.

Eén keer heb ik gezegd dat ik atheïst was maar buiten het feit dat dit inmiddels een leugen is, verslikte mijn gesprekspartner zich pardoes zo hard in zijn frisje om daarna binnen luttele seconden van mijn tafel weg te lopen, dat ik het verstandiger achtte dit antwoord niet meer te geven.

Vervolgens heb ik een paar keer de exacte waarheid geprobeerd door te zeggen dat ik atheïstisch was opgegroeid maar sinds een paar jaar telkens meer aan meditatie doe en een steeds spiritueler leven leid, maar dit bracht enkel verwarring.

Omringd door de drie lieftallige dames waagde ik een gokje door eens een nieuwe variant te proberen zonder de waarheid al te veel geweld aan te doen: ‘ik ben boeddhist’.

Open monden, grote ogen, diepe stilte. ‘Maar je bidt toch zeker wel?’ pufte die dikke met dat bloemenmotief, die tot mijn verrassing als eerste enigszins bekwam van de schok. ‘Mmmmm, ik trek mij elke dag terug in diepe concentratie en probeer zo contact te maken met mijzelf en het goddelijke,’ waarop de dame van het grijze kroeshaar scherp opmerkte: ‘dus je gelooft gelukkig wel in God?’

Mijn gebrekkige Spaans begon me nu duidelijk in de steek te laten maar wat ik probeerde te zeggen luidt ongeveer als volgt: ‘Ik ben er van overtuigd dat ieder mens een klein stukje god in zich heeft en wij allemaal samen het goddelijke vormen. Je kan een lichtje ontsteken in jezelf en naarmate je met oefening in staat bent dat harder te doen branden krijg je meer helderheid, meer inzicht en kom je dichter bij dat goddelijke dat in je huist. Hoe meer licht je vindt, hoe meer je in liefde en geluk kunt leven en geven en hoe beter je de donkerte van je angsten en je ongeluk uit kunt sluiten.’

Dit vond weliswaar enige weerklank bij de dames, maar in de volgende vraag klonk nog steeds de achterdocht door: ‘dus ieder mens heeft dat goddelijke licht in zich?’
‘ja, iedereen’
‘ook arme mensen?’
‘ja, zelfs rijke!’
‘en slechte mensen?’
‘die ook’
‘ook Hitler?’
‘ook Hitler, alleen heeft die het lichtknopje nooit gevonden en als je maar in genoeg duisternis leeft ben je tot de meest beestachtige daden in staat’.

Het ongeloof won het nu van de nieuwsgierigheid en het gesprek werd dan ook door het nu nog sterker zwetende bloemetjesmotief handig doch abrupt naar veiliger terrein gemanoeuvreerd. Dat veiliger niet automatisch risicoloos betekent bleek al gauw….
‘Wat voor dieren houden jullie thuis?’

Nu weet ik uit ervaring in Latijns Amerika dat het hier een strikvraag betreft voor argeloze Westerlingen. Het is namelijk niets anders dan op een verdekte manier proberen uit te vogelen hoe rijk de gesprekspartner is. Hoe groter de dieren en hoe meer, hoe rijker de familie, is de algemene stelling. Nu wil het feit dat mijn familie, althans mijn moeder, beschikt over een klein weitje waarin sinds jaar en dag wat kippen, ganzen en geiten vredig grazend hun leven doorbrengen zonder dat mijn moeder in ruil daarvoor hun melk of hun lichamen opeist om er geld aan te verdienen.

In mijn westerse naïveteit ging ik er vanuit dat ik echt niet voor een patser door zou kunnen gaan omdat mijn moeder een handvol grazend kleinvee houdt, dus op mijn meest onschuldige toon verkondigde ik: ‘In mijn familie zijn wij geitenhoeders’.
Bewondering en afgunst vielen mij ten deel. ‘Ohhh’ riep de grijzende kroeskop uit, ‘dan zijn jullie ook rijk! ‘Nietes,’ wierp ik verontwaardigd tegen, ‘in Europa zijn varkens en koeien veel duurder en die hebben wij niet dus wij zijn best wel arm!’…waarop het volgende magistrale en mij totaal de mond snoerende antwoord kwam: ‘ja haha, hier zijn die ook veel duurder maar die weeg je niet in ponden en geiten wel!’ Inmiddels heb ik aardig wat tijd besteed aan het ontdekken van de logica hierachter maar het blijft vooralsnog een mysterie wat ze hiermee bedoelden.

Verbeten zat ik op het verlossende geluid van een aankomende bus te wachten maar die liet natuurlijk op zich wachten en ik werd almaar verder gegrild in het vragenvuur.

‘Hoe veel geiten wij dan wel hielden’ wou de zweetjurk weten, die nu haar jaloezie bepaald niet meer onder stoelen of banken stak. Wij houden er drie maar vanwege haar jaloezie en mijn eigen ongemak over al deze vragen was ik inmiddels in een pochstadium beland dus ik riep op de gok dat we er zeven hielden. Dit bleek goed gegokt, de familie Wiersma werd als puissant rijk bestempeld.
Op slag sloeg mijn egoïstische pochdrang om in schaamte. Dat wij lekker ook nog eens zes vette kippen hebben hield ik maar voor me. Het woord gans weet ik niet in het Spaans en dat is maar beter ook want die zijn vermoedelijk alleen voor de upper class bij het kerstdiner … en ik hoorde in de verte het opluchtende getoeter van de bus…

Lijmen Luisje en kornuiten (deel 2)

26 juli 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020501Diezelfde avond bestelde ik net een pizza in een restaurantje, toen Carlos en Oscar met vriendje Elvis opeens wild gebarend en zwaaiend voor het raam stonden. Ze weten dat ze er ogenblikkelijk door de eigenaar uitgesmeten worden als ze een voet binnen durven te zetten, en daarom riepen ze me naar zich toe. Meesmuilend en verlegen om zijn eigen voeten draaiend vroeg Carlos vertwijfeld of ik misschien bereid was om een hamburger voor ze te kopen, want ze hadden gehoord dat dat het lekkerste eten was ter wereld en wilden dat toch ook zo graag eens proberen.

Ik deed een poging om uit te leggen dat dit niet kon omdat je in een pizzeria pizza’s eet maar daar hadden ze nog nooit van gehoord, dus heb ik ze mee naar binnen gesleept en bij mij aan tafel gezet. Aangezien ik kind aan huis ben bij de uitbaters van dit eetpaleis, konden ze moeilijk mijn nieuwe vrienden weigeren. Met name kleine Carlos kreeg het al gauw te kwaad van alles wat hem overkwam. Voor het eerst van zijn leven in een restaurant, voor het eerst van zijn leven bediend, zijn eerste pizza, voor het eerst onbeperkt frisdrank mogen bestellen, en dan ook nog eens met de rijkeluiskindertjes mee mogen ravotten in de speciale privé speeltuin die hij normaal gesproken alleen met jaloerse ogen van buitenaf kan aanschouwen.

Van zenuwen en opgelatenheid vloog hij van tafel telkens naar buiten om te spelen en weer naar binnen om cassis te slurpen en weer terug naar buiten om door te spelen. Tegen de tijd dat de felbegeerde pizza eenmaal op tafel stond had ons Careltje twee halve liters frisdrank weten te verorberen want die dacht gewoon binnen is binnen, zodat er geen hap eten meer in kon, maar hij moest en zou een partje op zijn bord. Voor mij nog een hele kluif. Geen van deze jochies heeft ooit een mes in zijn handen gehad dus ik zat daar voor vier te snijden en vragen te beantwoorden over al die exotische lekkernijen (paprika, ui, ham…) die er op die vreemd gebakken neptortilla’s lagen.

Alle restjes werden keurig in een doggy bag verpakt en die ging mee naar huis, want hun moeder moest toch absoluut ook weten hoe zo’n pizza smaakte, vonden ze. De dag erna sprong Careltje zielsblij in mijn nek toen ik aankwam op de patio, terwijl Oscar zich weer veilig verstopt had achter zijn ontoegankelijke muur en deed alsof zijn neus bloedde.

20020502Dit is een gedeelte van de jongere kliek, met wie gevoetbald en tv gekeken wordt, en die elke dag in de wasbak duiken voor een bad, al is het zonder zeep. Deze jongens en twee meisjes gebruiken geen lijm en doen zo goed en zo kwaad als het lukt hun best om een normaal leven te leiden.

De oudere kliek is lamgeslagen door de drugs, zit apathisch aan tafel op eten te wachten om zodra dat naar binnen is geschrokt weer naar buiten te gaan voor de broodnodige portie lijm. Sommigen zijn nog aan de oppervlakte zoals Sami van twaalf, die net begonnen is en bij wie het vuur in de ogen nog oplaait als we gaan voetballen, ook al verdwijnt hij na een kwartiertje om te gaan snuiven. Jonatàn is een paar jaar ouder en al volledig weggezakt en hopeloos. In een zeldzaam moment van helderheid streek hij laatst met zijn hand door mijn haar met de woorden: ‘wat mooi zeg, zo’n andere kleur dan bij ons allemaal’ maar toen hij vijf minuten later probeerde mee te voetballen viel hij bij de eerste gemiste trap voorover en kon maar met moeite weer opkrabbelen. We hebben het hier over iemand van een jaar of vijftien.

Lijmen Luisje komt elke dag met zijn knokige armpjes verkrampt om mij heen hangen met dat uitgemergelde lijfje en tilt zijn benen van de grond zodat ik hem omarm om hem in de lucht te houden. Even zweven. Hij kijkt me dan aan met die koffiebruine ogen van hem en ik krijg altijd een brok in mijn keel van wat ik daar zie. Die wazige, verdwaasde verslavingsblik, met daaronder de schreeuwende wanhoop, de eenzaamheid en het onmetelijke verdriet dat zo diep zit dat het eind verder is dan ik mag kijken. Al het kindervuur en alle passie zijn uit deze ogen weg geblust. Er is niets meer over van de blijheid die hij vast ooit gekend heeft. ‘Ik kan niet meer lopen, houd me vast of ik val,’ is steevast de grap en ik speel dan mee om hem even van de grond te houden. Dit is een mooie symboliek van de angst die hem wegvreet want hoe kan je inderdaad, als je zo jong bent, op eigen benen staan?

Ik voel zijn radeloosheid en machteloosheid dan vlijmscherp mijn eigen lijf doorklieven en voel me net zo radeloos en machteloos als hij. Wanhopig word ik dan en het enige dat me staande houdt is Luis zelf. Als ik niet blijf staan vallen we samen om en dat kan ik hem niet aandoen.
Lieve Luis, ik heb geen idee wat ik in godsnaam kan doen om je te redden want ik heb op dit moment niet het geld, niet de kracht en niet de kennis om je te helpen. Als ik ’s avonds in bed lig en er woedt weer eens zo’n zware tropische regenbui, moet ik vaak aan je denken en vraag ik me af waar je bent. Minstens twee keer per week biggelen de tranen dan over mijn wangen over zo veel gemene wreedheid van een wereld waarin meisjes van zes op straat moeten slapen terwijl slechts een vliegtuig verderop in Den Haag of Parijs iemand zich af loopt te vragen of haar Fifi poedel beter vandaag naar de schoonheidssalon kan of liever morgen als de zon weer schijnt.

Lieve Luis, ik houd van jou en ik kan verdomde weinig voor je doen maar ik beschouw het als een immense eer dat een koningskind als jij mij krachtig genoeg acht om als steunpilaar te gebruiken. Ik beloof je dat voor de tijd dat ik hier ben je aan me mag hangen zo vaak en zo veel als je maar wilt. Ik houd je vast met alle kracht en liefde die ik je geven kan. Dat is een druppel op een gloeiende plaat maar in jouw verhitte hopeloosheid is dat al een hele verkoeling.

Deze hoofdstukken over Hummels, Monchichi’s en Lijmen Luisje draag ik op aan alle kinderen in deze wereld en speciaal aan hen bij wie ik nu ben.

Wij grote mensen denken vaak dat we niets van jullie kunnen leren, maar dat is niet waar want al is jullie wereldje net zo hard als het onze, het is ook veel eerlijker. Jullie hebben nog niet zo goed leren liegen. Jullie hebben nog niet de tijd gehad om je af te sluiten van je eigen hart en gevoel zoals zo veel van ons dat wel hebben gedaan en daarom hebben jullie een veel beter contact met jezelf en vinden jullie makkelijker balans.

Lieve Isaac, bedankt dat je laatst midden in het klaslokaal spontaan uitriep ‘te amo Bas’, oftewel ‘ik hou van jou Bas’, want met je zes jaar zeg je nog gewoon alles wat je voelt dus je meende het. Lieve Teresa, bedankt voor al die knuffels en je kinderlijk vertrouwen.

De baan die ik hier heb is de zwaarste van mijn leven. Ik kan nooit een koffiepauze nemen want jullie weten niet wat pauze is, om negen uur ’s ochtends zit ik al in de strontluiers en om zes uur ’s avonds sta ik nog stenengooiende straatjongeren uit elkaar te houden. Soms ben ik niet in staat om op te staan want dan kan ik de kracht niet vinden om in het voedingscentrum weer vijf Hummels tegelijk boven mijn hoofd te tillen, op mijn benen te hebben en in mijn armen te houden. Dan blijf ik verdwaasd en met een traanrest van de vorige nacht die mijn oog dichtplakt in bed liggen en voel ik me schuldig omdat ik niet de moed en het doorzettingsvermogen vind om op te staan. Sorry, ik ben te zwak om meer te geven dan ik nu doe.

Tegelijkertijd is dit de mooiste baan die ik ooit gehad heb want al zijn jullie allemaal platzak in je beurs, jullie harten stromen over van liefde en daar laten jullie mij naar hartelust in baden. Dat is de mooiste beloning die ik krijgen kon en ik weet dat het een heel bijzonder voorrecht is dat ik hier mag zijn en met jullie om mag gaan. Dankzij jullie leer ik elke dag beter leven en ontdek ik dat het waar is wat ik stiekem al wel wist: hoe meer je geeft, hoe meer je terugkrijgt. Dankzij jullie zal ik hier gigantisch veel rijker vandaan gaan dan ik gekomen ben.

En al ben ik soms verdrietig, vaak ook als ik zit te dromen zie ik flitsen voor me van al die prachtige momenten. Die heerlijke Tsjetsjeense Yuliza languit met dat dikke lijfje over me heen, die verrukte blik van Oscar toen hij dat kettinkje kreeg, Norma met je prachtige gezicht huilend van het lachen na de kieteldood. Soms als ik zelf huil ben ik zo verward dat ik niet meer voelen kan of de tranen nou van verdriet zijn of van geluk, of wie weet, gewoon van een prachtig mengsel. Bedankt, ik houd van jullie allemaal.

Lijmen Luisje en kornuiten (deel 1)

22 juli 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020401Na het weeshuis ga ik door naar de Patio. Wie hier absoluut het minst hebben zijn de straatschoffies. Net als elke arme stad op de wereld heeft ook ons El Progreso een stel kinderen die nergens meer terecht kunnen en daarom maar op straat belanden. Een deel van hen heeft nog een thuis waar ze ’s nachts mogen slapen op een vod dat als bed dienst doet, maar waar ze nauwelijks te eten krijgen en niet worden opgevoed. De rest woont in het park of in een portiek en is ouderloos. Tot een jaar of tien, elf gaat dat meestal goed maar daarna wordt het leven te wreed en de wereld te hard dus ontdekken ze de geneugten van het potje lijm.

Voor wie dit proberen wil: neem een potje vloeibare lijm, liefst zeer sterk en vloeibaar, en doe daarvan een theelepeltje in een klein plastic zakje. Blaas vervolgens in het zakje tot het bol staat en inhaleer daarna zo diep mogelijk de lucht van genoemd zakje zodat zo veel mogelijk van de sterk op de hersenen inwerkende lijm de longen binnenkomt. Deze verdoving brengt je voor even naar een mooiere wereld maar telkens als je terugkomt wordt de realiteit natuurlijk een beetje moeilijker te verdragen en na een jaar of wat zijn je longblaasjes zo verneukt van de plakkerigheid dat je eraan sterft. Wat sigaretten in enkele tientallen jaren doen lukt met velpon stukken sneller maar het schijnt wel lekkerder te zijn en ik zal het eens proberen en dan melding doen van mijn ervaringen.

Al sinds ik hier aankwam kon ik het park niet doorlopen of ik werd aangeklampt door een paar van deze lijmsnuivertjes, die in een westerling altijd een makkelijk te rollen zak zien of op zijn minst een kleine financiële injectie om de dag door te komen. De eerste die mij zo aan mijn armen trok heette Luis (spreek uit Loewies). Vel over been met holle ogen die in het niets staarden. Zestien jaartjes jong en sinds mensenheugenis vaste klant bij de bison kit, Lijmen Luisje (Loewiesje) dus. Mijn eerste discussie met hem verliep ongeveer als volgt:

LL: Heb je een dollar voor me?
B: Nee, we zijn hier in Honduras dus heb ik geen dollars op zak.
LL: Heb je dan wat lempira’s?
B: Ja, maar die geef ik je niet.
LL: Waarom niet?
B: Omdat je daar linea recta mee naar de lijmboer gaat om je hersens op te blazen en dat moet je zelf weten maar ik ga je er niet bij helpen.
LL: Kun je dan wat te eten voor me kopen?
B: Wat wil je eten dan?
LL: Kip met friet.
B: Zou je niet liever wat rijst nemen met salade of zo?
LL: Waarom?
B: Nou dat is toch een stuk beter voor je gezondheid.
LL: Net zei je nog dat ik mezelf toch de dood in aan het snuiven ben.

Tja, daar scoort Luis een punt en als ik vroeger jarig was wilde ik ook altijd kip met friet en appelmoes want dat is nu eenmaal het lekkerst, dus op naar de dichtst bijzijnde kippenboer voor een maaltje met een echte coca cola erbij als extraatje.

20020402Sinds een week werk ik met jongens en meisjes als hij. Zodra een gezin in een precaire situatie terechtkomt, zijn de kinderen onherroepelijk de dupe. Ze worden makkelijk het slachtoffer van mishandeling en soms van seksueel misbruik. Vaak worden ze verplicht om te bedelen voor hun ouders, als ze die al hebben. Een kind houdt dat niet lang vol. Omdat hulpverlening miniem is belandt het al gauw op een bankje in het park van de stad als het niet meer naar huis durft. In het park hangen ook kinderen rond die meer doorgewinterd zijn in het straatleven en zij leren de nieuwelingen al gauw waar je droog kunt slapen en in welke vuilnisbakken de lekkerste restjes liggen.

Deze kinderen, met name jongens, zijn het uitschot van de maatschappij. Een gedeelte van de samenleving laat zich weinig aan hen gelegen liggen en is ze, zoals blijkt uit het hier volgende citaat, liever kwijt dan rijk:

While the vast majority of the murderers of these children and youth remain “unknown” the children themselves have names. They were children such as, Gerson Edgardo Nuñez Calix (16); Esteban Varela (16) and Gabriela Bonilla (13), all shot through the head three blocks from the police station in the city of El Progreso, Department of Yoro at approximately 1pm on August, 28th, 1999. The three youth had been released 30 minutes earlier by the police after having been illegally detained in the police station for 24 hours. The principal suspect is a policeman.

Bovenstaande passage ontleen ik uit een rapport van Casa Alianza. Deze organisatie werkt in verschillende Latijns-Amerika landen aan het verbeteren van het lot van straatkinderen en rapporteert aan de Verenigde Naties over het schenden van de fundamentele rechten van deze jonge, door alles en iedereen verlaten mensen. Volgens de cijfers van Casa Alianza zijn sinds 1998 alleen al in Honduras zo’n zeventienhonderd van hen vermoord; door politieagenten, bendeleden, particuliere veiligheidsbureaus, volwassenen, die hun aanwezigheid in de maatschappij als onwenselijk beschouwen. De politieman uit het bovenstaande citaat is in maart 2003 tot 20 jaar gevangenis veroordeeld, hetgeen een verrassende wending is in een ellenlange serie van vrijspraken en zodoende een eerste lichtpuntje biedt voor een betere toekomst.

Een paar goede, liefhebbende mensen in onze stad hebben het lumineuze inzicht gehad dat ook de straatjongeren gewoon kinderen zijn, en dat zij net zo goed recht hebben op aandacht en liefde en misschien zelfs wel ooit geluk zullen kennen als ze de kans maar krijgen. Zij zijn een project aan het opzetten om die kans voor hen te scheppen en hebben onder andere een veldje gehuurd dat ‘de Patio’ gedoopt is. Daar is een soort wasbak hebben gemetseld die dienst doet als badkuip, een toilet neergeknald, een koelkast gekocht, een tweepitter neergezet en dit is de plek waar deze kinderen elke middag welkom zijn om een warme maaltijd te krijgen, tv te kijken, te voetballen en een bad te nemen in de wasbak.

Het voornaamste doel van de patio is om een vertrouwensband te kweken met de kinderen, die stuk voor stuk erg te lijden hebben gehad onder het gedrag van volwassenen in hun directe omgeving. Ernesto, die ’s ochtend les geeft op een middelbare school en die een graad in de psychologie heeft, staat elke middag paraat om iedereen op te vangen die komen wil. Ernesto is leraar, vader, sociaal werker en oppas tegelijk en zorgt er voor dat de kinderen in elk geval een paar uur per dag een veilige rusthaven vinden als alternatief voor het gevaarlijke straatleven.

Wat hier bij elkaar komt is schaamtewekkend voor de mensheid. De jongste is zes en haar huis is een portiek in de buurt van de kerk. Ze heeft geen ouders die haar instoppen, geen schoenen, überhaupt geen kleren behalve de vodden die ze om haar lijfje draagt. Ze heeft nog nooit haar tanden gepoetst voor zo ver ze die al heeft, maar is gelukkig een vaardig dievegge, zodat ze in elk geval haar dagelijkse kostje bij elkaar weet te schrapen. De oudste is rond de veertien, daarna komen ze niet meer binnen want rond die leeftijd zijn ze onhoudbaar geworden, te verdoofd door lijm en alcohol, volledig onvatbaar voor rede en letterlijk in staat tot moord, als ze niet al gestorven zijn aan een longziekte van het snuiven.

In hun keiharde milieu geldt het recht van de sterkste, net als in onze keiharde maatschappij, maar hier gaat dat met fysiek geweld, niet met ingewikkelde manipulatieve trucjes zoals in onze eigen samenleving.

De eerste dag ben ik bijna in het ziekenhuis beland toen ik tussenbeide probeerde te komen in een steengevecht, waarvan ik later begreep dat dit dagelijkse kost is. Wie kwaad is pakt een aardige kei en mikt daarmee zo hard mogelijk op het hoofd van zijn doelwit. Er wordt gegooid om te raken, niet om te dreigen. Alles en iedereen wordt getest, ook die achterlijke blanke idioot die dacht dat hij zelfs hier met een leuk verpakt doosje liefde wel wat geluk zou scheppen.

Het is in dit rauwe en van alle franje ontklede milieu dat ik mij verreweg het best thuis voel. Hard maar fair, elk kwartier een knokpartij die eindigt in tranen, elk uur wordt er eentje naar buiten geflikkerd die iets onhoudbaars heeft uitgevreten, maar alles is hier duidelijk en open.

Om mij het best te identificeren met Lijmen Luisje en kornuiten ga ik hier gekleed in mijn alleroudste en meest vieze T-shirt en gore korte broek en loop ik verplicht op blote voeten over het met grind en stenen bezaaide veldje. Tijdens de eerste voetbalpot deed ik nog een lafhartige poging om mijn sandalen aan te houden en zo mijn tere voetzooltjes te beschermen tegen glasscherven en ander scherp materiaal, maar als enige met de luxe van schoenbezit is dat een beetje oneerlijk dus de tegenpartij wist mij al snel van mijn schoeisel te ontdoen. Ik wierp nog flauwtjes tegen dat blanken geen eelt hebben maar dat werd terzijde gewuifd als een belachelijk argument en nu strompel ik dus hinkend en kreunend als sloomste van het hele stel achter de bal aan.

De jongste geven zich al gauw over aan het kind zijn en willen in de lucht gegooid worden, komen een knuffel halen of tegen je aan hangen. Maar hier word je snel volwassen en elf is al te oud om nog klein te mogen zijn. Het wantrouwen jegens grote mensen is hier nog veel duidelijker dan in het weeshuis en dat is ook niet zo vreemd als je ziet hoe deze kinderen als vuil stront behandeld worden.

Zo is er Carlos van acht die vrolijk in mijn nek klimt voor een rondje hobbelpaard en er op los ratelt in zijn onverstaanbare Spaans, terwijl broertje Oscar van tien zich dat niet meer durft te permitteren. Telkens als ik een plotse beweging maak duikt het jongetje weg als een geslagen hond en ik vermoed dat hij thuis, want deze twee hebben nog wel een dak boven het hoofd, aardig wat rake klappen opvangt voor zijn jongere broertje als paps weer eens bezopen thuis komt.

Soms laat Oscar zich even gaan en lacht om een grapje van mij om zich dan binnen tellen weer te vergrendelen achter zijn eigen veilige hek, en pas na dagen van voorzichtig en aftastend om mij heen dralen pakte hij plots het kettinkje beet dat ik om mijn nek had. Dat heb ik in Guatemala gekocht en heeft veel blauwe en paarse palmboom kraaltjes die hij blijkbaar mooi vond en toen hij het echt niet meer kon houden kwam de grote vraag: ‘Of hij misschien dat kettinkje zou mogen hebben?’

Dat vond ik best dus spontaan deed ik het hem om zijn nek en de jongen was zo verbaasd over deze aardige geste van een volwassene, dat zijn mond openviel en hij mij aankeek alsof ik krankzinnig was geworden. Een minuut later was hij verdwenen uit de Patio, vermoedelijk uit angst dat ik nog van gedachten zou veranderen.

Monchichis ten voeten uit

5 juli 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020301Van het voedingscentrum gaat het naar het weeshuis, waar 39 jongens en meisjes wonen. De jongste kinderen zijn soms doorstroom uit het voedingscentrum als de ouders ze daar nooit meer vandaan komen halen en zodoende zit zuster Terrecita, de moeder overste compleet met nonnenkap en van die dikke nylon steunkousen in de tropische hitte, regelmatig opgescheept met zesjarigen die nog niet hebben leren praten. Deze typisch uit een Engelse kostschoolfilm uit de jaren vijftig herrezen vrouw is streng maar gelukkig ook rechtvaardig en ze houdt ondanks zichzelf wel van kinderen zodat binnen luttele weken de eerste woorden eruit geperst worden, eerst goedschiks en als dat niet lukt net zo makkelijk kwaadschiks. Vandaar dat ik mijn Alfredootje maar vast wat leer pruttelen, dan heeft hij een comfortabel voorsprongetje voor hij in de heksenhanden van zuster Terrecita belandt!

De eerste vraag die mij gesteld werd door al die 39 kindermonden was: ‘hoe lang ga jij blijven?’ want al hun surrogaatmoeders en -vaders zijn net zo wit als ik en allemaal laten ze hun kroost na een tijdje weer in de steek, dus ze hebben wel geleerd op hun hoede te zijn voor ze al te veel van een volwassen iemand gaan houden of hechten. Als je ouders er niet zijn en elke twee maanden een gedeelte van de opvang wisselt, kan ik me zo indenken dat je niet echt een hoge pet op hebt van alles wat ouder is dan twintig.

De volgende vraag, die de eerste dagen met regelmaat terugkwam was: ‘blijf je ook bij ons slapen?’ en die vraag begreep ik pas toen op een middag een opgewonden zes jarige Isaac mij in de armen viel terwijl ik aan kwam lopen en met van angst groot opgezette ogen plechtig verkondigde: ‘er is geen stroom’. Ik kon mij niet echt voorstellen dat dit een probleem was want in dit land valt elke week de stroom wel een paar uur uit en zelfs ik heb in mijn luxe appartementje ’s nachts geen water omdat dat afgesloten wordt wegens bezuinigingen, maar toen ik met vragende ogen naar hem keek sputterde Isaac verontwaardigd: ‘weet je wel hoe veel spoken hier wonen en hoe eng dat is in de nacht?!’

20020302Isaac stamt duidelijk af van een Afrikaanse negerslavenfamilie die hier 150 jaar geleden op de Cariben beland is en zich sindsdien vermengd heeft met indianenbloed, met als resultaat een donkerbruin kleurtje met strakke indianenharen en zeer bolle wangen met smaklippen.

Laatst moest hij vreselijk nodig naar het toilet maar vanwege uit de hand gelopen keetpartijen onlangs in het douchehok is nu het wc-papier door Terrecita en consorten achter slot en grendel gelegd en wie nood heeft moet bij een dienstdoende dame aankloppen en krijgt dan een 1-persoons rantsoen mee. Er was echter geen dame in de buurt dus wanhopig kwam Isaac op mij afstormen met één hand volkomen nutteloos als een soort bescherming om zijn negerbillen geklemd en zijn hamsterwangen nog boller dan anders. Of ik hem alsjeblieft kon helpen! Neen, dat kon ik natuurlijk niet want ik had geen sleutel voor de wc-papierkluis maar ik heb toen wel geleerd om continu een rolletje bij me te dragen voor het geval ik eens in Isaacs schoenen kom te staan.

Spookangst, vandaar die vraag over slapen blijven. Er is hier in de nacht maar één vrouw aanwezig en die slaapt apart in een kamertje heel ver weg. Navraag bij de oudsten leerde mij dat ook zij de nacht allemaal heel eng vinden, maar om nou ook nog nachtspookwacht te worden van 39 wezen gaat me echt iets te ver…

Net als het voedingscentrum, is ook het weeshuis gebouwd dankzij een vette donatie. Resultaat is een ruim opgezet gebouw met een eetzaal, een studielokaal, slaapzaal voor de kleine meisjes, voor de grote meisjes en voor de jongens, grote keuken, waslokaal…en dat alles op vijf kilometer buiten de stad in een enorm weiland met mango- en limoenbomen, bananenpalmen en speelruimte.

Er gaat geen dag voorbij of er komt een Monchichi trots als een pauw met een vondst aanlopen, zoals een 7 cm lange kakkerlak, een sprinkhaan van een formaat dat bij ons meteen in het Guinness boek of records komt, of een staartloze kameleon die van schrik twaalf kleuren uitstraalt. Hoe ik ze ook probeer uit te leggen dat al die beesten zonder hun goedbedoelde interventies een veel prettiger leven leiden, er wordt gejaagd en dat gebeurt met verve. Ik heb ze formeel en streng verboden om met slangen aan te komen, hetgeen een ware heksenjacht op deze arme beesten heeft ontketend, want de grap is nu natuurlijk om de grote witte man bang te krijgen.

Monchichi’s noem ik ze, omdat die pluche aapjes die vijftien jaar geleden in Nederland zo populair waren, exacte kopieën zijn van de jongetjes en meisjes die hier lopen, compleet met hol naar buiten staande oortjes, wipneus en kaneelkleurig gelaat. Ik weet zeker dat meneer Monchichi destijds gewoon in een Hondurees weeshuis op bezoek is geweest voor inspiratie.
Vaak is het dolle pret en dikke keet. Soms is het een brok in de keel en even doorbijten.

20020303Zo hebben we hier Army van acht wiens voortanden niet willen doorkomen, vermoedelijk vanwege melktekort. Hij kan ondanks zijn flinke leeftijd nog steeds niet praten en loopt met regelmaat gefrustreerd en wild gebarend rond om iets duidelijk te maken, wat natuurlijk niet lukt. Boos gaat hij dan op een wipje zitten om telkens dezelfde beweging te maken, op en neer, harder en harder, tot het onvermijdelijk mis gaat en hij zich een buil valt. Elke dag probeer ik het woordje ‘lima’ met hem te oefenen want dat vindt hij mooi maar het komt er nooit goed uit, tot hij rood van machteloosheid wegrent of mij hulpeloos huilend aanstaart, kwaad om mijn aanhoudendheid die hij ziet als wreedheid. Nou moe, als je Terrecita in je leven hebt ben ik toch echt een lieverdje hoor!

Of Teresa van negen, die het ene moment tegen mij aankruipt, knuffels en aandacht wil en er als een gek op los kletst, om het volgende moment stijf op haar rug naar het plafond te gaan liggen staren zonder te reageren op kietels, woorden, knuffels of een duw, zichzelf hermetisch afsluitend van de grote boze wereld….

En dan nog Felipe met zijn voetgebrek, de ene voet iets kleiner dan de ander maar geen geld voor aangepaste schoenen zodat hij mank door het leven gaat en zo met zijn linkervoet over de grond sleept dat de zool kapot is en zijn tenen inmiddels ook. Hij gaat sokloos met die kapotte voeten in die foute schoenen. Laatst kon ik hem met veel overredingskracht en een kleine fysieke inspanning zo ver krijgen dat hij zijn schoenen uittrok. De lucht die vrijkwam stonk naar onverzorgde wond en oud bloed, maar er is geen geld voor een zalfje of een dokter, laat staan voor een goed paar schoenen. Ik heb hem maar verplicht om sokken aan te doen en Terrecita en consorten gewaarschuwd, die schouderophalend zuchtten: ‘tja, we willen wel maar we kunnen niets’.
Net als in het voedingscentrum zou ik ook hier mezelf graag in velen willen delen zodat ik genoeg aandacht aan ieder kind kan schenken maar het gaat niet. De één wil een kaartspelletje doen terwijl nummer twee liever wat sommen nakijkt, nummer drie wil gewoon haar hoofd in je schoot leggen en de vierde wil even kletsen over de dag van gister of over dat verre onbekende Europa en het gaat niet, ik kan het niet. Ik ben maar één Bas en zij zijn met 39.

We hebben een dokter nodig, een logopedist voor Army, die dan binnen een jaar kan praten, dat weet ik zeker, een psycholoog voor Teresa en met name voor elk wat meer liefde en begeleiding van volwassenen.

Ook hier liep ik de eerste dagen hopeloos, hulpeloos en moedeloos verdwaasd rond, geschrokken van de tekorten en de berustende continue vrolijkheid van de leiding. Nu ga ik ook die kant uit en leer roeien met de riemen die we hier hebben. Waar je in Europa met geld binnen een uur een probleem oplost, leer je hier gewoon met dat probleem leven en probeer je het te verlichten met het weinige dat je tot je beschikking hebt.

Het weeshuis maakt geen deel uit van het Proniño-project maar van een ander hulpverleningsprogramma in El Progreso.

Huilende hummels

26 juni 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

20020201Twee weken geleden is het nu dat ik hier zonder enige ervaring in het diepe gegooid werd als vrijwilliger en inmiddels heb ik drie banen, ruim honderd zonen en dochters, en een schat aan ervaringen.

De eerste week was ik hulpeloos verloren, diep ontdaan door de ellende, de armoede en de verraderlijke scherpte van de hardheid in de maatschappij die je hier zo overrompelt dat je er niet onder vandaan kunt kruipen, behalve door weer in het vliegtuig naar huis te stappen.

Woelend in bed lag ik te malen over oplossingen, gefrustreerd over de houding van de rijkerikken hier ter plekke van wie een gedeelte bewust het gezicht wegdraait als een straatkind de hand ophoudt, machteloos omdat ik over voldoende geld noch liefde beschikte om het ondraagbare leed te stelpen, verbolgen om de desinteresse van het arrogante, decadente westen. Menig keer hapte ik een gat in mijn kussen om de tranen te verbijten.

Inmiddels is de verschrikkelijke klaagzang van tranen eruit. Verschrikkelijk, wat heet, nog geen drie kwartier en nauwelijks een halve toiletrol gebruikt. Inmiddels ook is de berusting een beetje wedergekeerd en ben ik beter in staat de blijheid te voelen die hier even zozeer elke dag aanwezig is.

Dat wil niet zeggen dat ik hier onverdeeld gelukkig ben. Soms zit ik na een zware dag stuk, soms ben ik ’s ochtends te leeg om op te kunnen staan. Meestal gaat het me beter af en fiets ik neuriënd naar mijn werk, pak een straatkind bij de hand om eten met hem te gaan halen en geniet van wat ik krijg aan liefde en aandacht van de kinderen.

Nu ik wat ritme te pakken heb, ben ik aardig in staat mijn tijd goed in te delen. In de ochtend wacht mij de zwaarste taak, het voedingscentrum. Ruim eenderde van de jeugd in Honduras lijdt aan ernstige ondervoeding. Ouders willen veel kinderen omdat die de garantie voor hun oude dag zijn. Pensioenen, verzekeringen, uitkeringen, men kent het niet, men maakt eenvoudigweg zo veel mogelijk koters, in de hoop dat zij die het overleven de ouders tot de dood verzorgen. Helaas zijn een aantal van die ouders uit geldgebrek niet in staat hun kroost te voeden, of ze zijn simpelweg zelf nog kinderen, die een ongelukje zijn begaan, en niet de zorg voor een baby kunnen dragen.

Elke dag zit ik onder de poep en de troep en de pies en vaak als ik na twee uur het centrum verlaat, beloof ik mezelf dat ik er nooit meer naar toe hoef maar telkens als ik binnenkom steekt er uit 22 minimondjes een ritmisch ‘papa, papa, papa,’ op en ben ik weer ontroerd en verkocht. In het huis werken alleen vrouwen dus alles wat naar baard en broek riekt en maar enigszins voor vader door kan gaan krijgt die titel meteen toebedeeld.

Op de speelvloer zijg ik neder en word binnen luttele tellen letterlijk overvallen door een zwerm kleintjes. Zo hebben wij de gezusters Yuliza en Jessica , respectievelijk vijf en vier. Deze parmantige pruttelaars zijn ondanks hun jonge leeftijd reeds in het bezit van een groteske, haast lachwekkende lelijkheid. Steeds als ik ze aankijk ben ik weer oprecht verbaasd dat zo’n immense lelijkheid zich verzamelen kan in zo’n klein gezichtje. Yuliza lijkt als twee druppels water op die 70 jarige verschrompelde dametjes uit Grozny in Tsjetsjenië die je wel eens op tv ziet als er daar weer een bom is gegooid door de Russen en zusje Jessica doet niet onder voor een gemiddelde vluchtoma uit een Kosovaars opvangkamp voor hongerlijdende daklozen.

Yuliza heeft besloten dat ik haar vader ben met als gevolg dat zij steevast op mij probeert te kruipen en onlangs heeft ze ontdekt dat ze dat het langst volhoudt door languit met haar hele vijfjarige omalichaampje over mijn knieën te gaan liggen zodat ik links klem zit tussen haar benen terwijl zij mij rechts in de houdgreep neemt met haar schoudertjes. Als je dan bedenkt dat gelijktijdig zo’n twaalf andere kinderen hetzelfde trucje proberen uit te halen kun je je voorstellen dat ik met regelmaat gruwelijk halsbrekende toeren uit moet halen om mij te bevrijden van dat grut.

Drie kwart is nog in de luierfase en omdat we geen geld hebben om allerlei maatjes en frutseltjes aan te schaffen is er alleen een goedkope namaak versie van de pamper medium met als gevolg dat de ene helft van de kinders een te grote en de andere helft een te kleine luier om de billen heeft.

20020202Wie een te kleine luier om heeft moet heel hard persen en als dat dan gelukt is bevrijdt zich een imposante stroom poep via dijen en onderrug. Wie een te grote luier heeft leidt een luchtiger bestaan en in dat geval kan eerdergenoemde poepstroom vrijelijk haar gang gaan over het gehele babylijfje. Saillant detail van deze beschrijving is dat vanwege de ernstige voedseltekorten en buikparasieten en in sommige gevallen tyfus waar al deze kinderen aan lijden zij zonder uitzondering de meest vreselijke vormen van diarree hebben. Geef ze een uur en het hele speellokaal zit onder, ik incluis, hoe ik ook mijn best doe om buiten schot te blijven.

Het vreselijke karwei van het luiertje verwisselen heb ik tien dagen lang weten te vermijden door snel te gaan afwassen als het zo ver was, een vele malen leuker klusje dan 22 paar bediarreedde billen schoonvegen, maar toen kwam Katja, de Vlaamse vrijwilligster, mij vrolijk vragen of ik me wellicht wilde wagen aan deze kerntaak van de babyhulp. Dit kon ik niet weigeren, ik besloot een moderne man te zijn en alle voorheen vrouwelijke taken ook op mij te nemen. Kordaat en vastberaden trad ik de wisselkamer binnen. Iedereen onder jullie die moeder of vader is of tante, oom of onder wat voor noemer dan ook wel eens een babyluier verwisseld heeft weet wat een intense geuren baby’s uit die piepkleine lijfjes weten voort te brengen. In onze wisselkamer komen dus tweeëntwintig van zulke lijfjes met voedselproblemen samen op de pot.

Paniek….ik kreeg gewoon een paniekaanval…..en heb nu luierwissel dispensatie gekregen van de dames dus vol enthousiaste dankbaarheid gooi ik me elke ochtend op een enorme afwas, terwijl zich tien meter verderop de meest verschrikkelijke taferelen afspelen. Wie schoon is komt naar mij toe hobbelen en als een echt volleerde vader, compleet met luierangst, breng ik dan de desbetreffende fris riekende Hummel naar zijn ledikantje, om daar vader Jacob te gaan zitten zingen (gewoon in het Limburgs, verstaan ze ook wel) en lendenen te kietelen en met mijn mond proestgeluiden te maken op buikjes voor het slapen gaan. Dit laatste spelletje was tot voor kort in Honduras onbekend maar is nu met stip gestegen tot meest populaire keetactie voor het slapen gaan, zodat ik steevast tweeëntwintig buiken moet bemondproesten, elk twee maal, voor mijn zware taak er op zit.

Dit is de vrolijke kant maar zoals elke medaille heeft ook deze een wat meer duistere zijde. Er werken hier bij toerbeurt elf vrouwen, gemiddeld vijf per keer, die elk druk zijn met wassen, koken, bedden opmaken, luiers verschonen etc…

Niemand, maar dan ook niemand, heeft tijd om deze kindjes een handjevol liefde of aandacht te geven en dat is nou juist wat zo nodig is voor een beetje babygeluk. Katja, een vrijwilligster uit Vlaanderen, werkt hier al vier maanden lang acht uur per dag en ik heb diep respect voor haar. Zelf ben ik na twee uur aan het eind van mijn Latijn en zielsgelukkig als ik het centrum weer kan verlaten terwijl dit sterke meisje dat nog maar net twintig jaar is, dag in dag uit doorbikkelt. Zij, en sinds een tijdje ik, zijn de enigen die spelen, die ze optillen, ze tegen ons aandrukken voor een knuffel. Zelfs de oudsten van vijf kunnen niet praten, geen kleuren onderscheiden, hebben nog nooit een viltstift in hun handen gehad en kennen geen ouderliefde.

Als er ouders zijn worden die gevraagd om te komen helpen en aandacht te geven aan hun kind maar vrijwel niemand doet dat. Vaders zijn te macho, moeders te druk met hun twaalf andere koters, ze hebben het kwartje voor de bus niet, of ze schamen zich te diep dat ze hun kind hebben afgestaan, dus we hebben hier eigenlijk enkel wezen. Er is geen onderwijs, te weinig spelletjes, te weinig van alles. Niemand heeft eigen kleertjes, er ligt gewoon een stapel waar je wat van afgraait. Niemand heeft een eigen bedje, wie het eerst komt wie het eerst maalt. Niemand van deze kindertjes heeft iets dat van hem of haar is, zelfs geen eigen echte moeder.

Alfredo van vijf is idolaat van mij en hangt aan me van het moment dat ik binnenkom tot ik wegga. Hij klemt zijn handjes om mijn polsen heen en weigert los te laten. Elke dag oefen ik met hem om zijn naam te leren zeggen en we zitten nu op aaaallllllll—–ffffrrrrrreeeeee. Als hij het goed doet mag hij als beloning op mijn schouders en tegen de tijd dat ik wegga kan hij Alfredo net zo goed uitspreken als ik, want het is een kanjer dus dat lukt hem.

Het centrum is gebouwd met een Amerikaanse kerkgift van 100.000 $ (90.000 euro), een kapitaal voor deze contreien, en is daarom één van de mooiste van het land. Helaas zijn we verleden week een maandelijkse bijdrage van 2.000 $ (1.800 euro) van een soort mini foster parents programma kwijtgeraakt. Waarom? Omdat er daar een bestuurswisseling heeft plaatsgevonden en de nieuwe directeuren hebben besloten dat donatuers van nu af aan het recht hebben om een kind fictief te adopteren. Het gedoneerde geld moet dan voor die specifieke kleuter gebruikt worden.

Niet ieder kind wordt ‘geadopteerd’, met als gevolg dat vanaf nu sommige kinderen nauwelijks meer te eten zullen krijgen terwijl anderen tot wel vijf kaviaar maaltijden per dag voorgeschoteld gaan krijgen en rondhuppelen in dure merkkleertjes. Bovendien zouden er dan iedere maand kiekjes geschoten moeten worden en naar de betreffende ‘ouders’ worden gestuurd, met een brief van ‘hun’ kind er bij. Deze kinderen kunnen hun eigen naam niet eens uitspreken, hoe kunnen die ooit een brief schrijven aan onbekende mensen in een vreemde taal?

De mensen van ons voedingscentrum hebben onophoudelijk proberen uit te leggen dat wij zo niet kunnen werken, dat ieder kind een gelijke behandeling verdient en dat het en dat het onmogelijk is om voor de een rosbief te bakken en de ander droge rijst voor te schotelen, dat er tijd noch geld is om foto’s te maken en brieven te schrijven.
Soms is het probleem dat donateurs vergeten dat het kind hen niet kent, niet die lieve brief heeft geschreven, zelfs hun taal niet spreekt – noch die van hemzelf overigens – en dat vanwege dit systeem andere kinderen wellicht basisbehoeften worden onthouden. Bovendien raakt het ‘geadopteerde’ kind zijn privileges kwijt wanneer de ‘ouders’ besluiten om hun donaties stop te zetten.

Om een gemeenschap te helpen ontwikkelen is het belangrijk om de hele gemeenschap te steunen en niet slechts enkele individuen gedurende een bepaalde tijd ten koste van de rest van de groep. Zoals Ana terecht zegt: ‘alsof je een kind brandweeroefeningen leert maar het wel in de val laat leven’. Op lange termijn doet zo’n systeem waarschijnlijk meer kwaad dan goed.

20020203Het voedingscentrum en het nieuwe bestuur konden het hierover niet eens worden en in plaats van toe te geven aan hun voorwaarden, zodat het geld bleef binnenstromen en we op korte termijn konden profiteren, heeft het centrum besloten het adoptieprogramma te verlaten en door te gaan met alle kinderen gelijk te behandelen, om ondertussen op zoek te gaan naar nieuwe inkomstenbronnen. Iedere keer opnieuw ben ik zo onder de indruk van Ana’s vermogen om elke situatie te accepteren zoals die is en trouw te blijven aan haar overtuigingen. Terwijl ik als beginnende nieuweling zo gefrustreerd ben over deze financiële aderlating, blijft Ana kalm en vertrouwt erop dat er een oplossing gevonden zal worden.

Het voedingscentrum maakt geen deel uit van het Proniño-project maar van een ander hulpverleningsprogramma in El Progreso.

Basje belandt in Dynasty

10 juni 2002, door Bas onder Vrijwilligers in actie

Mijn huisbaas is een weekend naar Tegucigalpa, de hoofdstad, en zijn werknemers weigeren mij de sleutel van mijn appartement te geven dus ben ik zwervende voor mijn eerste nacht. Ana, de dame die mij hier opvangt, stelt me gerust door te regelen dat ik in het tuinhuisje van kennissen van haar kan slapen maar daarop ben ik zelf helemaal niet gerust want als je weet dat hier de gemiddelde behuizing uit niet meer bestaat dan vier houten schotten en een golfplaten dakje, kun je je afvragen wat een tuinhuisje dan wel voor moet stellen. Mijn mond valt dan ook open wanneer wij in de buitenwijk van Progreso belanden waar ik die nacht door zal gaan brengen. Na een druk op een knop gaat een enorm hekwerk open en kom ik terecht op een oprijlaan met een vette bmw, een dikke amerikaan en een geblindeerde four wheel drive. Een dienstmeisje laat mij binnen en ik blijk mij te bevinden in het huis van een illustere Palestijnse familie.

Veel Latijns-amerikaanse naties hebben in het begin van de vorige eeuw grond aangeboden aan buitenlanders in de hoop dat die konden helpen hun land op te bouwen tot een welvarende staat. Zo zijn er in Argentinië veel Duitsers en Italianen terechtgekomen, in Brazilië een hoop Zwitsers en in Peru Japanners. Honduras had toentertijd gegokt op Palestijnse christenen en zodoende wonen hier nu, 80 jaar later, een hoop afstammelingen van vroegere Bethlehemmers en Jeruzalemmers. Later leer ik dat acht van deze families uit zijn gegroeid tot de ware machthebbers in dit land door te trouwen met de plaatselijke landheren en via lekker door incesten een zeer gesloten groep te behouden. Terwijl ik echter dit huis binnenliep wist ik dat nog niet en ik viel van de ene verbazing in de andere. Een woonkamer van zeven bij negen met de allergrootste tv die ik ooit gezien heb, een soort privé bioscoop. Vervolgens werd ik geleid naar een andere woonkamer die beter de naam balzaal verdient. Kroonluchters sieren het vier meter hoge plafond, een airco zoemt zachtjes en Beethoven speelt hier zijn vijfde in een ware tempel van akoestiek. De beschaafde Beethoven van de Europese burgerij in dit krankzinnige land. Een paradoxaal gevoel maakt zich van mij meester.

20020101In Europa heb ik een handjevol flinke optrekjes mogen aanschouwen, maar die worden gereduceerd tot armzalige doorzonnetjes vergeleken met het kasteel waarin ik nu ben beland. Ik maak me al lang geen zorgen meer over dat tuinhuisje en inderdaad, het blijkt twee keer het formaat van mijn huisje in Val Thorens. Er is een badkamer met warm waterdouche, zeer zeldzaam hier, een heuse echte tuinhuisjesairco, een zithoek, en ik ben nog niet binnen of een charmante jongedame gaat mijn bed opmaken.

Nu voel ik mij altijd nogal ongemakkelijk wanneer onderbetaald personeel voor mij dit soort werkjes gaat verrichten zodat ik schijnheilig probeer ook een lakentip te bemachtigen om zo te helpen met de beddenklus maar dit wordt mij niet in dank afgenomen. Dit meisje heeft een baan en dat is meer dan haar vriendinnen kunnen zeggen. Ze is niet van plan die baan af te staan aan één of andere schuldbewuste blanke dus na een kort gevecht dat ik moedwillig verlies sta ik gespeeld beteuterd te kijken tot een andere dame binnenkomt met een karaf mineraalwater en een schaal vruchten, voor het geval ik een lichte trek zou ontwikkelen na het nachtelijke plasje doen.

Wanneer ik de deuren opensla van mijn riante tuinhuis kijk ik uit op een prachtig zwembad en ik kan niet nalaten om aan Miranda, de eigenaresse van dit pandje, te vragen of ik wellicht even mag proberen of het water goed op temperatuur is. Twee keer knippen in haar handen is voldoende om het zwembad magisch te doen baden in onderwater verlichting, spotjes schijnen op de omringende palmbomen, de zuiveringsinstallatie wordt in gang gezet en meneer Wiersma mag zich het bad toe-eigenen. Eega Juan komt nog even controleren of mij alles goed vergaat en hij blijkt een soort Centraal-amerikaanse bandenkeizer te zijn met het monopolie op de autobandeninvoer van Honduras.

Verder is hij dikke maatjes met de president en ook nog vice-senator van een andere man want in tegenstelling tot het onze is in dit land politieke moord schering en inslag dus heeft elke senator een vervanger klaar staan. Leuk baantje. Niettemin vind ik het fijn om hier een hoge pief te kennen voor het geval ik in de problemen mocht komen. Overigens blijken Miranda en Juan geen deel uit te maken van die acht macht uitmakers hier en het zal me benieuwen hoe die dan wel wonen en leven…

De volgende dag is de huisbaas, die Ricardo blijkt te heten, terug, en mijn appartementje blijkt typisch klein maar fijn. Een naar Hondurese maatstaven vorstelijk onderkomen met een keukentje, een douche, helaas met koud water, en een slaapkamer. Ricardo is een telg van de oprichters van deze stad en maakt als zodanig deel uit van de kleine rijke elite. Na een achtjarige opleiding tot arts in Miami, twee jaar in Parijs en een aantal omzwervingen door Europa, India en de VS, is hij een praktijk begonnen in zijn thuisbasis El Progreso.

Als hij vraagt of ik die avond naar een feestje wil komen dat hij geeft ter ere van de hoofdredactrice van de Miami Herald, zeg ik gretig ja, want ik wil wel wat dieper doordringen in dit rare wereldje van illustere rijkdom en het is hier in dit vreemde verre land wel prettig om wat contacten op te doen. Alweer zo’n mooi huis. Kleiner maar veel smaakvoller ingericht.

De hoofdredactrice, een voormalig inwoonster van onze stad, heeft Ricardo een grote dienst bewezen en dient in gepaste stijl te worden ontvangen, nu zij weer even in den lande is. Alle notabelen zijn aanwezig en als kers op de slagroom heeft zelfs de zus van de ex-president haar opwachting gemaakt, vergezeld van haar zoon. Ook hij blijkt een toffe kerel en inmiddels heb ik een dag samen met mams en kind aan de Cariben doorgebracht, compleet met villa, privé-bad, geblindeerde auto en palmbomen

20020102Tja, zo raakte ik hier dus pardoes verzeild in de rijkste sociale echelons die dit land kent en ga om met meer miljonairs dan ik in Europa ooit ontmoet heb. Een deel van de rijkerikken blijkt niet bepaald begaan met het lot van hun minder bedeelde landgenoten. Anderen echter nemen wel degelijk verantwoordelijkheid en helpen waar ze kunnen. Zo zijn er Jorge en Elizabeth Mealer, die op eigen houtje besloten om een project op te zetten dat straatkinderen een waardige toekomst biedt. Of wat te denken van Ana Tower, een Amerikaanse die hier enkele jaren geleden als bij toeval terecht kwam en die mij begeleidt bij mijn eerste stapjes in de warrige wereld van de vrijwilliger. Zij bestiert een weeshuis en een centrum voor ondervoede baby’s. Toen ik haar vroeg of ze hier lang zou blijven lichtte het vuur in haar ogen op: ‘Bas, op het moment dat ik voor het eerst deze stad binnenreed wist ik dat ik hier zou sterven, ik blijf hier tot het eind want ik hoor hier te zijn’.

In de volgende hoofdstukken vertel ik iets over ondervoede Hummeltjes in een voedingscentrum, Monchichi’s in een weeshuis die nog nooit een bioscoop of zwembad van binnen hebben gezien en de zoete smaak van een mars niet kennen, en over op straat levende kinderen die hun longen vol lijm snuiven om de ellende van alledag te vergeten in de roes van de drugs.
Het andere uiterste dus, waarvan ik geregeld mijn lippen stukbijt om de tranen tegen te houden waar de kinderen bij zijn, het leed me zo aanvreet dat ik er soms letterlijk misselijk van word. Gelukkig soms ook een traan van innig geluk want door al die kleine prachtmensen word ik overspoeld met liefde en voel ik me zeer bevoorrecht.

Daarom stuur ik als groet uit het arme Honduras een hoop liefde naar het rijke Westen dat daaraan wel eens gebrek heeft.